BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 33
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Zodra de vervangende verklaring van toestemming op de wijze, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder a, wordt overgelegd, wordt de Nederlandse identiteitskaart indien die ingevolge artikel 32, eerste lid, is ingeleverd aan de houder teruggegeven.
2. Indien de eerder uitgereikte Nederlandse identiteitskaart buiten schuld van de houder niet is ingeleverd of ingehouden, wordt hem met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid op zijn aanvraag een nieuwe identiteitskaart verstrekt. De eerder uitgereikte identiteitskaart vervalt in dat geval van rechtswege.
3. De in artikel 31, eerste lid, bedoelde autoriteit draagt zorg voor de verwijdering van de vermelding van de houder uit het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet, zodra ingevolge het eerste lid de Nederlandse identiteitskaart aan de houder is teruggegeven, dan wel ingevolge het tweede lid aan de houder een nieuwe identiteitskaart is verstrekt en de eerder uitgereikte identiteitskaart door hem is ontvangen.
2. Indien de eerder uitgereikte Nederlandse identiteitskaart buiten schuld van de houder niet is ingeleverd of ingehouden, wordt hem met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid op zijn aanvraag een nieuwe identiteitskaart verstrekt. De eerder uitgereikte identiteitskaart vervalt in dat geval van rechtswege.
3. De in artikel 31, eerste lid, bedoelde autoriteit draagt zorg voor de verwijdering van de vermelding van de houder uit het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet, zodra ingevolge het eerste lid de Nederlandse identiteitskaart aan de houder is teruggegeven, dan wel ingevolge het tweede lid aan de houder een nieuwe identiteitskaart is verstrekt en de eerder uitgereikte identiteitskaart door hem is ontvangen.
- Citeren als
- Art. 33
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl