BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 14
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Onze Minister die het aangaat richt het verzoek tot weigering onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan aan Onze Minister.
2. Indien deze bezwaren zijn vervallen, geeft Onze Minister die het aangaat die een verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan Onze Minister daarvan onverwijld kennis.
3. Onze Minister vermeldt, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van artikel 13, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft in het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet. In dat geval vermeldt dit register geen andere gegevens van de betrokken persoon dan die, bedoeld in artikel 3 en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, vanwege welke autoriteit en om welke reden de betrokken persoon krachtens artikel 13 in het register is vermeld, alsmede de datum van vermelding in het register.
4. De autoriteiten die bevoegd zijn een Nederlandse identiteitskaart te verstrekken, uit te reiken dan wel in te houden, houden een administratie bij van de mededelingen die zij op grond van artikel 25, vierde lid, eerste volzin, van de Paspoortwet ontvangen.
5. De autoriteiten die op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Paspoortwet in kennis zijn gesteld van een verwijdering van een vermelding als bedoeld in het derde lid, verwijderen terstond nadat zij die kennisgeving hebben ontvangen de vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.
2. Indien deze bezwaren zijn vervallen, geeft Onze Minister die het aangaat die een verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan Onze Minister daarvan onverwijld kennis.
3. Onze Minister vermeldt, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van artikel 13, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft in het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet. In dat geval vermeldt dit register geen andere gegevens van de betrokken persoon dan die, bedoeld in artikel 3 en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, vanwege welke autoriteit en om welke reden de betrokken persoon krachtens artikel 13 in het register is vermeld, alsmede de datum van vermelding in het register.
4. De autoriteiten die bevoegd zijn een Nederlandse identiteitskaart te verstrekken, uit te reiken dan wel in te houden, houden een administratie bij van de mededelingen die zij op grond van artikel 25, vierde lid, eerste volzin, van de Paspoortwet ontvangen.
5. De autoriteiten die op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Paspoortwet in kennis zijn gesteld van een verwijdering van een vermelding als bedoeld in het derde lid, verwijderen terstond nadat zij die kennisgeving hebben ontvangen de vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.
- Citeren als
- Art. 14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl