BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 30
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Een Nederlandse identiteitskaart vervalt van rechtswege, indien:
a. de houder van de identiteitskaart het Nederlanderschap heeft verloren;
b. de geldigheidsduur daarvan is verstreken;
c. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht of het burgerservicenummer van de houder zijn gewijzigd;
d. de houder is overleden;
e. ingevolge artikel 19 schriftelijk is verklaard dat het door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen;
f. door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het document;
g. aan de houder van de identiteitskaart een verbod is opgelegd als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding en de identiteitskaart geen vervangende Nederlandse identiteitskaart is;
h. de houder op de krachtens artikel 7 bepaalde wijze heeft verklaard dat de identiteitskaart is vermist of mogelijk voorwerp is van fraude.
2. Onze Minister kan, al dan niet op verzoek van een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het aangaat, besluiten dat de houder van een Nederlandse identiteitskaart die op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a, c, e, f, g of h, van rechtswege is vervallen, wordt vermeld in het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet. Deze vermelding kan geen andere gegevens van de betrokken persoon omvatten dan die, bedoeld in artikel 3 en artikel 5, eerste lid, onderdeel b. Artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister draagt zorg voor de vermelding, bedoeld in het tweede lid, alsmede voor de verwijdering daarvan, zodra de desbetreffende Nederlandse identiteitskaart door hem, de op grond van artikel 50b, tweede lid, van de Paspoortwet tot inhouding bevoegde Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan wel de met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het verzoek tot de vermelding, bedoeld in het tweede lid, heeft gedaan, is ontvangen of ingehouden. De autoriteit die het verzoek tot vermelding, bedoeld in het tweede lid, heeft gedaan, geeft van de ontvangst of de inhouding van de identiteitskaart onverwijld kennis aan Onze Minister.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de vermelding bedoeld in het tweede lid, alsmede over de verwijdering daarvan.
a. de houder van de identiteitskaart het Nederlanderschap heeft verloren;
b. de geldigheidsduur daarvan is verstreken;
c. de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht of het burgerservicenummer van de houder zijn gewijzigd;
d. de houder is overleden;
e. ingevolge artikel 19 schriftelijk is verklaard dat het door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen;
f. door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het document;
g. aan de houder van de identiteitskaart een verbod is opgelegd als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding en de identiteitskaart geen vervangende Nederlandse identiteitskaart is;
h. de houder op de krachtens artikel 7 bepaalde wijze heeft verklaard dat de identiteitskaart is vermist of mogelijk voorwerp is van fraude.
2. Onze Minister kan, al dan niet op verzoek van een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het aangaat, besluiten dat de houder van een Nederlandse identiteitskaart die op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a, c, e, f, g of h, van rechtswege is vervallen, wordt vermeld in het register dat door Onze Minister wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet. Deze vermelding kan geen andere gegevens van de betrokken persoon omvatten dan die, bedoeld in artikel 3 en artikel 5, eerste lid, onderdeel b. Artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister draagt zorg voor de vermelding, bedoeld in het tweede lid, alsmede voor de verwijdering daarvan, zodra de desbetreffende Nederlandse identiteitskaart door hem, de op grond van artikel 50b, tweede lid, van de Paspoortwet tot inhouding bevoegde Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan wel de met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het verzoek tot de vermelding, bedoeld in het tweede lid, heeft gedaan, is ontvangen of ingehouden. De autoriteit die het verzoek tot vermelding, bedoeld in het tweede lid, heeft gedaan, geeft van de ontvangst of de inhouding van de identiteitskaart onverwijld kennis aan Onze Minister.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de vermelding bedoeld in het tweede lid, alsmede over de verwijdering daarvan.
- Citeren als
- Art. 30
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl