BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 23
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Bij een aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan twaalf jaar, kan, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 22, eerste lid, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd.
2. De rechter kan een verklaring van toestemming afgeven op verzoek van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of een gezinsvoogdij-instelling in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint-Maarten. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of, van de vervangende Nederlandse identiteitskaart, de territoriale geldigheid van de aangevraagde Nederlandse identiteitskaart wordt beperkt.
2. De rechter kan een verklaring van toestemming afgeven op verzoek van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of een gezinsvoogdij-instelling in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint-Maarten. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of, van de vervangende Nederlandse identiteitskaart, de territoriale geldigheid van de aangevraagde Nederlandse identiteitskaart wordt beperkt.
- Citeren als
- Art. 23
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl