BWBR0052951
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 2
Wet op de Nederlandse identiteitskaart
1. Identiteitskaarten van het Europese deel van Nederland zijn de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart.
2. Hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de Nederlandse identiteitskaart is van overeenkomstige toepassing op de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de geldigheidsduur en het model van de Nederlandse identiteitskaart vastgesteld.
4. Onze Minister draagt zorg voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde documenten.
5. Een Nederlandse identiteitskaart blijft na uitreiking rijkseigendom. Onze Minister oefent het eigendomsrecht uit.
2. Hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de Nederlandse identiteitskaart is van overeenkomstige toepassing op de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de geldigheidsduur en het model van de Nederlandse identiteitskaart vastgesteld.
4. Onze Minister draagt zorg voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde documenten.
5. Een Nederlandse identiteitskaart blijft na uitreiking rijkseigendom. Onze Minister oefent het eigendomsrecht uit.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl