BWBR0002399
Geldig vanaf 2013-04-19
Artikel 64a
Wet op het voortgezet onderwijs
1. Onze Minister brengt een nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 73, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:
a. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat de nevenvestiging ten minste zal worden bezocht door: 1° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;
2° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;
3° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;
4° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo of;
5°. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
1° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;
2° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;
3° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;
4° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo of;
5°. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
b. het onderwijs op de school waaraan de nevenvestiging wordt verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 23a1, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 van de Wet op het onderwijstoezicht als onvoldoende is beoordeeld; en
c. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen in artikel 67, eerste en tweede lid en artikel 67a, eerste en tweede lid.
2. Onze Minister brengt een nevenvestiging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 73, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:
a. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid, onder a, genoemde aantal;
b. het onderwijs op de scholengemeenschap waaraan de nevenvestiging is verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 23a1, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 van de Wet op het onderwijstoezicht als onvoldoende is beoordeeld; en
c. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 67, eerste en tweede lid en artikel 67a, eerste en tweede lid.
3. Van het aantal leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging, en van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap is ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage afkomstig uit dezelfde postcodegebieden.
a. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat de nevenvestiging ten minste zal worden bezocht door: 1° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;
2° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;
3° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;
4° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo of;
5°. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
1° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;
2° 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;
3° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;
4° 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo of;
5°. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
b. het onderwijs op de school waaraan de nevenvestiging wordt verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 23a1, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 van de Wet op het onderwijstoezicht als onvoldoende is beoordeeld; en
c. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen in artikel 67, eerste en tweede lid en artikel 67a, eerste en tweede lid.
2. Onze Minister brengt een nevenvestiging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 73, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:
a. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid, onder a, genoemde aantal;
b. het onderwijs op de scholengemeenschap waaraan de nevenvestiging is verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 23a1, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 van de Wet op het onderwijstoezicht als onvoldoende is beoordeeld; en
c. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 67, eerste en tweede lid en artikel 67a, eerste en tweede lid.
3. Van het aantal leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging, en van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap is ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage afkomstig uit dezelfde postcodegebieden.