BWBR0003075
Geldig vanaf 2001-05-30
Artikel 43
Comptabiliteitswet
1. Een lid wordt ontslag verleend op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand.
2. De leden kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen of geschorst. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, eerste lid, onder b, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46ken 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
– de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad,» wordt gelezen« de president van de Rekenkamer»;
– de president van de Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
– voor «Onze Minister» wordt gelezen «de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
– de voordracht bedoeld in de artikelen 46i, derde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Rekenkamer;
– in artikel 46p, vijfde en zesde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Rekenkamer».
3. Grond voor ontslag is voorts dat het lid handelt in strijd met artikel 42, derde lid.
2. De leden kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen of geschorst. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, eerste lid, onder b, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46ken 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
– de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad,» wordt gelezen« de president van de Rekenkamer»;
– de president van de Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
– voor «Onze Minister» wordt gelezen «de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
– de voordracht bedoeld in de artikelen 46i, derde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Rekenkamer;
– in artikel 46p, vijfde en zesde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Rekenkamer».
3. Grond voor ontslag is voorts dat het lid handelt in strijd met artikel 42, derde lid.