BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 101
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. De gemeente Groningen ontvangt van de Staat voor het verlies van de bezwaarde eigendom van de onroerende zaken als bedoeld in de artikelen 60en 96de gekapitaliseerde waarde van de jaarlijkse inkomsten voortvloeiende uit die onroerende zaken.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde jaarlijkse inkomsten wordt vastgesteld door de herinrichtingscommissie. Bij de vaststelling van de jaarlijkse inkomsten wordt rekening gehouden met de invloed die de opheffing van de stadsmeierrechten heeft gehad op het aantal overdrachten en de overdrachtsprijs van de stadsmeierrechten.
3. Bij de berekening van de in het eerste lid genoemde gekapitaliseerde waarde wordt uitgegaan van een rentevoet, vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, gehoord de gemeente Groningen. Bij de vaststelling van de rentevoet wordt rekening gehouden met de in de toekomst te verwachten toeneming van het aantal overdrachten van de stadsmeierrechten en reële waardestijging van de stadsmeierrechten.
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt een afschrift van het in het derde lid bedoelde besluit aan de herinrichtingscommissie en de gemeente Groningen.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde jaarlijkse inkomsten wordt vastgesteld door de herinrichtingscommissie. Bij de vaststelling van de jaarlijkse inkomsten wordt rekening gehouden met de invloed die de opheffing van de stadsmeierrechten heeft gehad op het aantal overdrachten en de overdrachtsprijs van de stadsmeierrechten.
3. Bij de berekening van de in het eerste lid genoemde gekapitaliseerde waarde wordt uitgegaan van een rentevoet, vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, gehoord de gemeente Groningen. Bij de vaststelling van de rentevoet wordt rekening gehouden met de in de toekomst te verwachten toeneming van het aantal overdrachten van de stadsmeierrechten en reële waardestijging van de stadsmeierrechten.
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt een afschrift van het in het derde lid bedoelde besluit aan de herinrichtingscommissie en de gemeente Groningen.