BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 13
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stellen, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken, van Financiën en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het herinrichtingsprogramma vast binnen zes maanden nadat zij het ontwerp herinrichtingsprogramma of het laatst vastgestelde gedeelte daarvan hebben ontvangen. Indien en voor zover Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij de vaststelling afwijken van het ontwerp, zoals dit door provinciale staten is vastgesteld, geven zij de redenen daarvoor aan. Onze Minister doet hiervan schriftelijk mededeling aan gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe, uiterlijk dertig dagen nadat het in dit lid bedoelde besluit is genomen.
2. De vaststelling van het herinrichtingsprogramma vindt niet eerder plaats dan nadat de structuurvisies voor Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordeningzijn vastgesteld.
3. Onze Minister deelt zijn standpunt naar aanleiding van de ingebrachte bedenkingen en het in eerste lid van artikel 12bedoelde rapport schriftelijk en met redenen omkleed aan degenen die bedenkingen hebben ingebracht mede, uiterlijk dertig dagen nadat het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen.
4. Tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend provinciale staten van Groningen en van Drenthe beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De werking van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
5. Zodra het herinrichtingsprogramma is vastgesteld, wordt het op de provinciale griffie en op de secretarie van de gemeenten in Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën gedurende acht weken voor een ieder ter inzage gelegd. Gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe geven van de terinzageligging kennis in de Staatscourant, in ten minste twee dagbladen die in de streek worden verspreid en in de gemeente op de aldaar gebruikelijke manier.
2. De vaststelling van het herinrichtingsprogramma vindt niet eerder plaats dan nadat de structuurvisies voor Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordeningzijn vastgesteld.
3. Onze Minister deelt zijn standpunt naar aanleiding van de ingebrachte bedenkingen en het in eerste lid van artikel 12bedoelde rapport schriftelijk en met redenen omkleed aan degenen die bedenkingen hebben ingebracht mede, uiterlijk dertig dagen nadat het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen.
4. Tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend provinciale staten van Groningen en van Drenthe beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De werking van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
5. Zodra het herinrichtingsprogramma is vastgesteld, wordt het op de provinciale griffie en op de secretarie van de gemeenten in Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën gedurende acht weken voor een ieder ter inzage gelegd. Gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe geven van de terinzageligging kennis in de Staatscourant, in ten minste twee dagbladen die in de streek worden verspreid en in de gemeente op de aldaar gebruikelijke manier.