BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 20
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. Provinciale staten stellen het herinrichtingsplan of een gedeelte hiervan vast, waarbij zij zodanig acht slaan op de naar voren gebrachte bedenkingen als zij menen te moeten doen.
2. Indien provinciale staten voornemens zijn af te wijken van het ontwerp, bedoeld in artikel 17, winnen zij advies in bij de centrale commissie. Vaststelling in afwijking van dit advies geschiedt niet dan nadat Onze in artikel 4genoemde Ministers daarin hebben toegestemd.
3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
4. Voor zover het deelgebied, waarop het herinrichtingsplan betrekking heeft, in meer dan één provincie is gelegen, nemen provinciale staten het besluit tot vaststelling niet dan in overeenstemming met provinciale staten van die andere provincie.
5. Indien in het in het derde lid bedoelde geval provinciale staten van Groningen en van Drenthe niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt het herinrichtingsplan vastgesteld bij koninklijk besluit.
6. Gedeputeerde staten delen het standpunt van provinciale staten naar aanleiding van de naar voren gebrachte bedenkingen schriftelijk en met redenen omkleed aan de belanghebbende mede, uiterlijk dertig dagen nadat provinciale staten het in het eerste lid bedoelde besluit tot vaststelling hebben genomen.
7. Artikel 13, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien provinciale staten voornemens zijn af te wijken van het ontwerp, bedoeld in artikel 17, winnen zij advies in bij de centrale commissie. Vaststelling in afwijking van dit advies geschiedt niet dan nadat Onze in artikel 4genoemde Ministers daarin hebben toegestemd.
3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
4. Voor zover het deelgebied, waarop het herinrichtingsplan betrekking heeft, in meer dan één provincie is gelegen, nemen provinciale staten het besluit tot vaststelling niet dan in overeenstemming met provinciale staten van die andere provincie.
5. Indien in het in het derde lid bedoelde geval provinciale staten van Groningen en van Drenthe niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt het herinrichtingsplan vastgesteld bij koninklijk besluit.
6. Gedeputeerde staten delen het standpunt van provinciale staten naar aanleiding van de naar voren gebrachte bedenkingen schriftelijk en met redenen omkleed aan de belanghebbende mede, uiterlijk dertig dagen nadat provinciale staten het in het eerste lid bedoelde besluit tot vaststelling hebben genomen.
7. Artikel 13, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.