BWBR0004375
Geldig vanaf 1988-08-29
Artikel 12
Beschikking ter zake van het uit produktie nemen van bouwland
1. Indien de subsidieontvanger in de periode waarin hij verplicht is bouwland uit produktie te houden het gehele landbouwbedrijf dan wel een gedeelte daarvan verkoopt, verpacht, of daarop een persoonlijk recht anders dan pacht dan wel een zakelijk recht vestigt, kan de bedrijfsopvolger zich er tegenover de minister toe verbinden de uit de subsidieverlening voortvloeiende verplichtingen verder na te komen.
2. Indien de bedrijfsopvolger de in het eerste lid bedoelde verbintenis aangaat, wordt:
a. de resterende subsidie aan hem betaald, indien hij het bedrijf als geheel koopt, pacht, of daarop een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht anders dan pacht verkrijgt.
b. de subsidie voor een gedeelte evenredig aan de uit produktie genomen oppervlakte grond die is gekocht of gepacht, of waarop een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht anders dan pacht is gevestigd, aan hem betaald, indien hij het bedrijf gedeeltelijk koopt, pacht, of daarop een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht anders dan pacht verkrijgt.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt de bedrijfsopvolger die de in het eerste lid genoemde verbintenis aangaat, vanaf het moment dat deze verbintenis is aangegaan, aangemerkt als de subsidieontvanger.
2. Indien de bedrijfsopvolger de in het eerste lid bedoelde verbintenis aangaat, wordt:
a. de resterende subsidie aan hem betaald, indien hij het bedrijf als geheel koopt, pacht, of daarop een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht anders dan pacht verkrijgt.
b. de subsidie voor een gedeelte evenredig aan de uit produktie genomen oppervlakte grond die is gekocht of gepacht, of waarop een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht anders dan pacht is gevestigd, aan hem betaald, indien hij het bedrijf gedeeltelijk koopt, pacht, of daarop een zakelijk recht dan wel een persoonlijk recht anders dan pacht verkrijgt.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt de bedrijfsopvolger die de in het eerste lid genoemde verbintenis aangaat, vanaf het moment dat deze verbintenis is aangegaan, aangemerkt als de subsidieontvanger.