BWBR0005891
Geldig vanaf 18-04-1993
Artikel 14
Tuchtrechtreglement Skal
1. Een bij het tuchtgerecht aanhangig gemaakte zaak kan door de voorzitter worden afgedaan, indien naar zijn oordeel:
a. het een overtreding betreft, welke kennelijk niet uit opzet of grove nalatigheid voortvloeit en;
b. in het licht daarvan geen dan wel geen andere maatregel dient te worden opgelegd dan een berisping of een geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden (ƒ 5.000,–).
In dat geval wordt een afschrift van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring tevoren aan de desbetreffende aangeslotene toegezonden en wordt de desbetreffende aangeslotene in de gelegenheid gesteld schriftelijk verweer te voeren binnen veertien dagen na verzending van die verklaring.
2. De met toepassing van het eerste lid gegeven tuchtbeschikking bevat de gronden en wijst de voorschriften aan, waarop zij berust, en – zo tot het opleggen van een maatregel is besloten – ook deze maatregel. Zij wordt terstond bij aangetekende brief ter kennis van de betrokken aangeslotene gebracht, onder mededeling van het bepaalde in de derde lid.
Afschrift van de beschikking wordt bij aangetekende brief gezonden aan het bestuur en degene die de zaak namens oorts, gezonden aan de Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien.
3. De betrokken aangeslotene kan binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen na dagtekening van de tuchtbeschikking van de voorzitter, bij aangetekende brief aan het tuchtgerecht mondelinge behandeling verzoeken. In dat geval wordt de tuchtbeschikking als niet gegeven beschouwd, waarna de zaak verder overeenkomstig de volgende artikelen wordt behandeld.
4. Indien de aangeslotene niet binnen vier weken na de datum van de tuchtbeschikking van de voorzitter aan betaling van de daarbij opgelegde geldboete heeft voldaan, zal alsnog behandeling van de zaak ter zitting plaatsvinden na oproeping conform het in artikel 15 bepaalde. In dat geval wordt de tuchtbeschikking van de voorzitter als niet gegeven beschouwd.
a. het een overtreding betreft, welke kennelijk niet uit opzet of grove nalatigheid voortvloeit en;
b. in het licht daarvan geen dan wel geen andere maatregel dient te worden opgelegd dan een berisping of een geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden (ƒ 5.000,–).
In dat geval wordt een afschrift van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring tevoren aan de desbetreffende aangeslotene toegezonden en wordt de desbetreffende aangeslotene in de gelegenheid gesteld schriftelijk verweer te voeren binnen veertien dagen na verzending van die verklaring.
2. De met toepassing van het eerste lid gegeven tuchtbeschikking bevat de gronden en wijst de voorschriften aan, waarop zij berust, en – zo tot het opleggen van een maatregel is besloten – ook deze maatregel. Zij wordt terstond bij aangetekende brief ter kennis van de betrokken aangeslotene gebracht, onder mededeling van het bepaalde in de derde lid.
Afschrift van de beschikking wordt bij aangetekende brief gezonden aan het bestuur en degene die de zaak namens oorts, gezonden aan de Officier van Justitie, tenzij deze heeft laten weten dat daarvan kan worden afgezien.
3. De betrokken aangeslotene kan binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen na dagtekening van de tuchtbeschikking van de voorzitter, bij aangetekende brief aan het tuchtgerecht mondelinge behandeling verzoeken. In dat geval wordt de tuchtbeschikking als niet gegeven beschouwd, waarna de zaak verder overeenkomstig de volgende artikelen wordt behandeld.
4. Indien de aangeslotene niet binnen vier weken na de datum van de tuchtbeschikking van de voorzitter aan betaling van de daarbij opgelegde geldboete heeft voldaan, zal alsnog behandeling van de zaak ter zitting plaatsvinden na oproeping conform het in artikel 15 bepaalde. In dat geval wordt de tuchtbeschikking van de voorzitter als niet gegeven beschouwd.
- Citeren als
- Art. 14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0005891
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl