BWBR0005997
Geldig vanaf 1993-06-01
Artikel 7
Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten
1. Een plantenpaspoort als bedoeld in artikel 6bestaat uit een label en een begeleidend document, waarop de gegevens, voorgeschreven in de bijlage van richtlijn 92/105/EEG, staan vermeld, waarbij op het label minimaal de in de punten 1 tot en met 5 en op het begeleidend document minimaal de in de punten 1 tot en met 10 van de bijlage bij richtlijn 92/105/EEGgenoemde gegevens zijn aangegeven, danwel alleen een label, mits daarop alle in de punten 1 tot en met 10 van de bijlage bij richtlijn 92/105/EEGgenoemde gegevens zijn vermeld.
2. Een plantenpaspoort moet zijn gesteld in een der officiële talen van de Europese Gemeenschappen.
3. Een plantenpaspoort is slechts geldig, indien is voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en c, artikel 2, tweede lid en artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/105/EEG.
4. Een plantenpaspoort kan door een ander plantenpaspoort worden vervangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, derde lid, van richtlijn 2000/29/EG.
5. Een plantenpaspoort wordt aangemaakt, gedrukt of nadien bewaard door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, een door de Minister aangewezen instantie, dan wel door een geregistreerde producent, handelaar of importeur die daartoe schriftelijke toestemming van de Minister heeft gekregen.
6. Een producent, handelaar of importeur, welke toestemming heeft verkregen overeenkomstig het vijfde lid, kan het plantenpaspoort gebruiken wanneer het plantenpaspoort is afgegeven overeenkomstig artikel 6, eerste lid, indien genoemde producent, handelaar of importeur daartoe schriftelijke toestemming van de Minister heeft gekregen.
2. Een plantenpaspoort moet zijn gesteld in een der officiële talen van de Europese Gemeenschappen.
3. Een plantenpaspoort is slechts geldig, indien is voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en c, artikel 2, tweede lid en artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/105/EEG.
4. Een plantenpaspoort kan door een ander plantenpaspoort worden vervangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, derde lid, van richtlijn 2000/29/EG.
5. Een plantenpaspoort wordt aangemaakt, gedrukt of nadien bewaard door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, een door de Minister aangewezen instantie, dan wel door een geregistreerde producent, handelaar of importeur die daartoe schriftelijke toestemming van de Minister heeft gekregen.
6. Een producent, handelaar of importeur, welke toestemming heeft verkregen overeenkomstig het vijfde lid, kan het plantenpaspoort gebruiken wanneer het plantenpaspoort is afgegeven overeenkomstig artikel 6, eerste lid, indien genoemde producent, handelaar of importeur daartoe schriftelijke toestemming van de Minister heeft gekregen.