BWBR0006264
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 19
Besluit Infrastructuurfonds
1. Onze Minister verleent jaarlijks de subsidie voor de aanvang van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
2. Bij de verlening van de subsidie wordt uitgegaan van de kapitaallasten, van de kosten van bediening en onderhoud en de omvang van de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers, in een door hem te bepalen basisjaar. De subsidie kan worden aangepast aan de wijzigingen ten opzichte van het basisjaar als gevolg van:
a. de omvang van landelijke spoorweginfrastructuur;
b. het niveau van instandhoudingskwaliteit, voor zover Onze Minister daarom verzoekt;
c. het gebruik van landelijke spoorweginfrastructuur;
d. de omvang van de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers van landelijke spoorweginfrastructuur;
e. de evaluatie van de algemene overeenkomst inzake de aanraking van infrastructuur;
f. opgebouwde overschotten danwel tekorten;
g. het loon- en prijspeil.
3. Kapitaallasten voortvloeiend uit projecten, die het Rijk reeds overeenkomstig paragraaf 2heeft vergoed, worden in mindering gebracht op de totale kapitaallasten. De subsidie heeft betrekking op de dan resterende kapitaallasten.
4. De verplichtingen voortvloeiend uit de door Onze Minister toegestane leningfinanciering van projecten, bedoeld in paragraaf 2, worden afzonderlijk vergoed.
5. Onze Minister kan besluiten tot het vaststellen van een nieuw basisjaar met inachtneming van de dan geldende omstandigheden.
6. Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil. Artikel 7, vierde lid, is van toepassing.
7. Onverminderd het zesde lid kan Onze Minister het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie aanpassen wanneer een wijziging van het bijdragesysteem daartoe noodzaakt.
2. Bij de verlening van de subsidie wordt uitgegaan van de kapitaallasten, van de kosten van bediening en onderhoud en de omvang van de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers, in een door hem te bepalen basisjaar. De subsidie kan worden aangepast aan de wijzigingen ten opzichte van het basisjaar als gevolg van:
a. de omvang van landelijke spoorweginfrastructuur;
b. het niveau van instandhoudingskwaliteit, voor zover Onze Minister daarom verzoekt;
c. het gebruik van landelijke spoorweginfrastructuur;
d. de omvang van de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers van landelijke spoorweginfrastructuur;
e. de evaluatie van de algemene overeenkomst inzake de aanraking van infrastructuur;
f. opgebouwde overschotten danwel tekorten;
g. het loon- en prijspeil.
3. Kapitaallasten voortvloeiend uit projecten, die het Rijk reeds overeenkomstig paragraaf 2heeft vergoed, worden in mindering gebracht op de totale kapitaallasten. De subsidie heeft betrekking op de dan resterende kapitaallasten.
4. De verplichtingen voortvloeiend uit de door Onze Minister toegestane leningfinanciering van projecten, bedoeld in paragraaf 2, worden afzonderlijk vergoed.
5. Onze Minister kan besluiten tot het vaststellen van een nieuw basisjaar met inachtneming van de dan geldende omstandigheden.
6. Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil. Artikel 7, vierde lid, is van toepassing.
7. Onverminderd het zesde lid kan Onze Minister het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie aanpassen wanneer een wijziging van het bijdragesysteem daartoe noodzaakt.