BWBR0006264
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 9
Besluit Infrastructuurfonds
1. Een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, bedraagt, met inachtneming van het tweede lid, als percentage van de op grond van artikel 5in aanmerking komende kosten voor:
a. het landelijk spoorwegnet honderd procent; indien het infrastructuur betreft hoofdzakelijk ten behoeve van het internationale vervoer over spoorwegen kan Onze Minister een ander percentage vaststellen;
b. een groot project: voor regionale of lokale infrastructuur honderd procent van de kosten van de variant die naar het oordeel van Onze Minister als meest kosteneffectief kan worden aangemerkt, onder aftrek van € 225 000 000,– indien dat project geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd binnen één of meer van de samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen of onder aftrek van € 112 500 000,– indien dat project geheel in een ander gebied wordt gerealiseerd.
c. voorzieningen met betrekking tot de veiligheid van het wegverkeer vijftig procent; indien de subsidie bestemd is voor herinrichting van verblijfsgebieden als 30-km zone, dient de aaneengesloten oppervlakte van dit gebied minimaal tien hectare te bedragen;
d. studies als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, vijftig procent voor zover de kosten niet als bestuurskosten van de aanvrager kunnen worden aangemerkt;
e. aanleg van een terminal ten behoeve van intermodaal vervoer vijfentwintig procent.
2. Bij de vergoeding voor de verlegging of vervanging van kabels of leidingen wordt rekening gehouden met het juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Indien bij de verlegging de kabels of leidingen gelijktijdig worden vervangen wordt een aftrek toegepast, welke wordt berekend op basis van de resterende economische levensduur van de kabels of leidingen.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de subsidie voor een investering ten behoeve van spoorweginfrastructuur uitsluitend bestemd voor vervoer van goederen een lager percentage vaststellen.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan Onze Minister een lager bedrag dan € 225 000 000,– onderscheidenlijk € 112 500 000,– aftrekken in geval:
a. de financiële draagkracht van de aanvrager hiertoe aanleiding geeft; hiervan is in ieder geval sprake indien de hoogte van de brede doeluitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BDU verkeer en vervoer, in het jaar waarin de aanvraag is ingediend, vermenigvuldigd met twee, gelijk is aan of lager dan € 225.000.000,–: of
b. het project een functie heeft die naar het oordeel van Onze Minister het regionale of lokale belang aanmerkelijk te boven gaat.
5. Indien reeds subsidie is verleend voor de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt deze bij de verlening van een subsidie voor de overige kosten, genoemd in artikel 5, eerste lid, in mindering gebracht.
a. het landelijk spoorwegnet honderd procent; indien het infrastructuur betreft hoofdzakelijk ten behoeve van het internationale vervoer over spoorwegen kan Onze Minister een ander percentage vaststellen;
b. een groot project: voor regionale of lokale infrastructuur honderd procent van de kosten van de variant die naar het oordeel van Onze Minister als meest kosteneffectief kan worden aangemerkt, onder aftrek van € 225 000 000,– indien dat project geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd binnen één of meer van de samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen of onder aftrek van € 112 500 000,– indien dat project geheel in een ander gebied wordt gerealiseerd.
c. voorzieningen met betrekking tot de veiligheid van het wegverkeer vijftig procent; indien de subsidie bestemd is voor herinrichting van verblijfsgebieden als 30-km zone, dient de aaneengesloten oppervlakte van dit gebied minimaal tien hectare te bedragen;
d. studies als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, vijftig procent voor zover de kosten niet als bestuurskosten van de aanvrager kunnen worden aangemerkt;
e. aanleg van een terminal ten behoeve van intermodaal vervoer vijfentwintig procent.
2. Bij de vergoeding voor de verlegging of vervanging van kabels of leidingen wordt rekening gehouden met het juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Indien bij de verlegging de kabels of leidingen gelijktijdig worden vervangen wordt een aftrek toegepast, welke wordt berekend op basis van de resterende economische levensduur van de kabels of leidingen.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de subsidie voor een investering ten behoeve van spoorweginfrastructuur uitsluitend bestemd voor vervoer van goederen een lager percentage vaststellen.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan Onze Minister een lager bedrag dan € 225 000 000,– onderscheidenlijk € 112 500 000,– aftrekken in geval:
a. de financiële draagkracht van de aanvrager hiertoe aanleiding geeft; hiervan is in ieder geval sprake indien de hoogte van de brede doeluitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BDU verkeer en vervoer, in het jaar waarin de aanvraag is ingediend, vermenigvuldigd met twee, gelijk is aan of lager dan € 225.000.000,–: of
b. het project een functie heeft die naar het oordeel van Onze Minister het regionale of lokale belang aanmerkelijk te boven gaat.
5. Indien reeds subsidie is verleend voor de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt deze bij de verlening van een subsidie voor de overige kosten, genoemd in artikel 5, eerste lid, in mindering gebracht.