BWBR0006264
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 5
Besluit Infrastructuurfonds
1. Voor een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lidten behoeve van investeringen in infrastructuur komen in aanmerking de kosten van:
a. studies voor het betrokken project voor zover die door Onze Minister aanvaardbaar worden geacht;
b. verwerving van een onroerende zaak voor zover door Onze Minister aanvaardbaar geacht;
c. vergunningen en leges voor zover door Onze Minister aanvaardbaar geacht;
d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn, waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van Onze Minister;
e. materialen;
f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;
h. met het project samenhangende door Onze Minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kan worden gebracht en geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds;
k. voorbereiding, administratie en toezicht voor zover het betreft projecten ten behoeve van het openbaar vervoer, van het goederenvervoer over het spoor en van vaarwegen;
l. onvoorziene omstandigheden bij grote projecten met betrekking tot regionale of lokale infrastructuur, voorzover de kosten betrekking hebben op de kosten, genoemd in de onderdelen a tot en met i.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts tot een in redelijkheid als noodzakelijk te beschouwen hoogte in aanmerking genomen.
3. De kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, bedragen voor projecten ten behoeve van het openbaar vervoer en van het goederenvervoer zestien procent en voor projecten ten behoeve van vaarwegen tien procent van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid stelt Onze Minister, indien het een subsidie betreft voor projecten ten behoeve van het landelijk spoorwegnet, de in dat lid genoemde kosten per soort van investering nader vast.
a. studies voor het betrokken project voor zover die door Onze Minister aanvaardbaar worden geacht;
b. verwerving van een onroerende zaak voor zover door Onze Minister aanvaardbaar geacht;
c. vergunningen en leges voor zover door Onze Minister aanvaardbaar geacht;
d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn, waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van Onze Minister;
e. materialen;
f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;
h. met het project samenhangende door Onze Minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kan worden gebracht en geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds;
k. voorbereiding, administratie en toezicht voor zover het betreft projecten ten behoeve van het openbaar vervoer, van het goederenvervoer over het spoor en van vaarwegen;
l. onvoorziene omstandigheden bij grote projecten met betrekking tot regionale of lokale infrastructuur, voorzover de kosten betrekking hebben op de kosten, genoemd in de onderdelen a tot en met i.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts tot een in redelijkheid als noodzakelijk te beschouwen hoogte in aanmerking genomen.
3. De kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, bedragen voor projecten ten behoeve van het openbaar vervoer en van het goederenvervoer zestien procent en voor projecten ten behoeve van vaarwegen tien procent van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid stelt Onze Minister, indien het een subsidie betreft voor projecten ten behoeve van het landelijk spoorwegnet, de in dat lid genoemde kosten per soort van investering nader vast.