BWBR0012907
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 4
Procesregeling CBB
1. Indien een machtiging wordt verlangd als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post uitgenodigd de verlangde machtiging binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging in te zenden.
2. Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken de verlangde machtiging als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb heeft ingezonden, wordt hij bij aangetekende brief uitgenodigd dit verzuim binnen twee weken na verzending te herstellen.
3. In die brief wordt een waarschuwing gegeven dat niet of niet-tijdige inzending van de verlangde machtiging ertoe kan leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het College van een partij stukken verlangt om vast te stellen of deze partij in het geding kan optreden dan wel of deze daartoe bevoegdelijk wordt vertegenwoordigd.
2. Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken de verlangde machtiging als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb heeft ingezonden, wordt hij bij aangetekende brief uitgenodigd dit verzuim binnen twee weken na verzending te herstellen.
3. In die brief wordt een waarschuwing gegeven dat niet of niet-tijdige inzending van de verlangde machtiging ertoe kan leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het College van een partij stukken verlangt om vast te stellen of deze partij in het geding kan optreden dan wel of deze daartoe bevoegdelijk wordt vertegenwoordigd.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0012907
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl