BWBR0014563
Geldig vanaf 16-10-2004
Artikel 10
Zuivelverordening 2003, Inrichtingseisen zuivelbereiding
1. De lokalen waarin koeien, geiten of buffelkoeien worden gemolken en waarin de melk wordt opgeslagen, gehanteerd of gekoeld, moeten zo zijn gelegen en gebouwd dat ieder gevaar voor besmetting van de melk wordt voorkomen. Zij moeten gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn en ten minste voorzien zijn van:
a. muren en vloeren die op plaatsen die kunnen worden bevuild of besmet gemakkelijk te reinigen zijn;
b. vloeren die zo zijn aangelegd dat vloeistoffen gemakkelijk kunnen wegvloeien, en afval onder goede voorwaarden kan worden verwijderd;
c. een bevredigend luchtverversings- en verlichtingssysteem;
d. een adequaat en toereikend systeem van drinkwatervoorziening waarbij de in Richtlijnnr. 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330) vermelde parameters in acht worden genomen voor het melken, en voor het reinigen van het in artikel 11 bedoelde materieel en van de aldaar bedoelde instrumenten;
e. een behoorlijke afscheiding van elke bron van besmetting, zoals toiletten en mest;
f. gemakkelijk te wassen, te reinigen en te ontsmetten toebehoren en apparatuur.
Voorts moeten de lokalen voor de opslag van melk voorzien zijn van adequate koelapparatuur; deze lokalen moeten beschermd zijn tegen ongedierte en moeten goed zijn afgescheiden van de lokalen waar de dieren worden gehuisvest.
Wanneer buffelkoeien niet in de openlucht worden gehouden, moeten de gebruikte lokalen zo worden ontworpen, gebouwd, onderhouden en beheerd dat wordt gezorgd voor:
a) goede huisvesting, hygiëne, reinheid en gezondheid van de dieren;
b) bevredigde hygiëne bij het melken en bij het hanteren, koelen en opslaan van de melk.
2. Als gebruik wordt gemaakt van een verplaatsbare melkstand, moet aan de eisen van lid 1, onder d. en f. worden voldaan en moet de melksland voorts:
a. geplaatst zijn op een ondergrond waarop zich geen uitwerpselen of ander afval bevinden;
b. waarborgen dat de melk wordt afgeschermd gedurende de tijd dat de melkstand gebruikt wordt;
c. zo zijn gebouwd en afgewerkt dat de binnenwanden schoon kunnen worden gehouden.
3. Wanneer de melkdieren vrij in de open lucht rondlopen moet het bedrijf ook beschikken over een melkplaats of een melkruimte die voldoende van de stallen is gescheiden.
4. Alle dieren, ongeacht de soort, dienen verwijderd te worden gehouden van de lokalen en plaatsen waar melk wordt opgeslagen, gehanteerd en gekoeld.
5. In de gevallen als bedoeld in hoofdstuk 1 punt 1.a. van de bijlage van de Landbouwkwaliteitsregeling rauwe melk en zuivelbereiding (Stcrt. 1994, 25) moet ervoor worden gezorgd dat deze dieren op doeltreffende wijze worden geïsoleerd of in de gevallen als bedoeld in hoofdstuk 1 punt 1.b.3 van de bijlage van genoemde Landbouwkwaliteitsregeling, dat deze dieren op doeltreffende wijze van de rest van het beslag worden gescheiden.
a. muren en vloeren die op plaatsen die kunnen worden bevuild of besmet gemakkelijk te reinigen zijn;
b. vloeren die zo zijn aangelegd dat vloeistoffen gemakkelijk kunnen wegvloeien, en afval onder goede voorwaarden kan worden verwijderd;
c. een bevredigend luchtverversings- en verlichtingssysteem;
d. een adequaat en toereikend systeem van drinkwatervoorziening waarbij de in Richtlijnnr. 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330) vermelde parameters in acht worden genomen voor het melken, en voor het reinigen van het in artikel 11 bedoelde materieel en van de aldaar bedoelde instrumenten;
e. een behoorlijke afscheiding van elke bron van besmetting, zoals toiletten en mest;
f. gemakkelijk te wassen, te reinigen en te ontsmetten toebehoren en apparatuur.
Voorts moeten de lokalen voor de opslag van melk voorzien zijn van adequate koelapparatuur; deze lokalen moeten beschermd zijn tegen ongedierte en moeten goed zijn afgescheiden van de lokalen waar de dieren worden gehuisvest.
Wanneer buffelkoeien niet in de openlucht worden gehouden, moeten de gebruikte lokalen zo worden ontworpen, gebouwd, onderhouden en beheerd dat wordt gezorgd voor:
a) goede huisvesting, hygiëne, reinheid en gezondheid van de dieren;
b) bevredigde hygiëne bij het melken en bij het hanteren, koelen en opslaan van de melk.
2. Als gebruik wordt gemaakt van een verplaatsbare melkstand, moet aan de eisen van lid 1, onder d. en f. worden voldaan en moet de melksland voorts:
a. geplaatst zijn op een ondergrond waarop zich geen uitwerpselen of ander afval bevinden;
b. waarborgen dat de melk wordt afgeschermd gedurende de tijd dat de melkstand gebruikt wordt;
c. zo zijn gebouwd en afgewerkt dat de binnenwanden schoon kunnen worden gehouden.
3. Wanneer de melkdieren vrij in de open lucht rondlopen moet het bedrijf ook beschikken over een melkplaats of een melkruimte die voldoende van de stallen is gescheiden.
4. Alle dieren, ongeacht de soort, dienen verwijderd te worden gehouden van de lokalen en plaatsen waar melk wordt opgeslagen, gehanteerd en gekoeld.
5. In de gevallen als bedoeld in hoofdstuk 1 punt 1.a. van de bijlage van de Landbouwkwaliteitsregeling rauwe melk en zuivelbereiding (Stcrt. 1994, 25) moet ervoor worden gezorgd dat deze dieren op doeltreffende wijze worden geïsoleerd of in de gevallen als bedoeld in hoofdstuk 1 punt 1.b.3 van de bijlage van genoemde Landbouwkwaliteitsregeling, dat deze dieren op doeltreffende wijze van de rest van het beslag worden gescheiden.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0014563
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl