BWBR0014563
Geldig vanaf 23-08-2003
Artikel 3
Zuivelverordening 2003, Inrichtingseisen zuivelbereiding
1. De exploitant of beheerder van een inrichting dient te zorgen voor:
een systeem van procesborging waarin identificatieprocedures zijn vastgelegd ten aanzien van de kritieke punten in het productieproces. Deze borgingsprocedure moet worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteit;
toezicht en controle op deze kritieke punten volgens adequate methoden. De wijze van toezicht en controle alsmede de gebruikte methoden dienen te worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteit;
monsterneming voor analyse in een door de bevoegde autoriteit erkend laboratorium met het oog op de controle van de reinigings- en ontsmettingsmethoden en om na te gaan of voldaan wordt aan de in de Warenwetregeling Zuivelbereiding (Stcrt 1994, 243) vastgelegde normen;
de bewaring van de resultaten van de verschillende controles en tests gedurende ten minste 2 jaar, met uitzondering van producten op basis van melk, die niet bij kamertemperatuur kunnen worden bewaard, voor de laatstgenoemde producten kan deze termijn worden teruggebracht tot 2 maanden ingaande op de uiterste consumptiedatum of de datum van minimale houdbaarheid;
garanties ten aanzien van het correct beheer van de keurmerken. Hiervan dient mededeling te worden gedaan aan de bevoegde autoriteit;
een opleidingsprogramma dat het personeel in staat stelt te voldoen aan de voorschriften inzake hygiënische productie, die zijn aangepast aan de productiestructuur, tenzij het personeelslid reeds over een voldoende kwalificatie beschikt, ten bewijze waarvan het een diploma kan overleggen.
2. De exploitant of beheerder van de melkbehandelings- en/of melkvetwerkingsinrichting dient ervoor zorg te dragen dat de productie van melk, warmte behandelde melk en producten op basis van melk regelmatig wordt gecontroleerd. Deze controle dient gericht te zijn op het opsporen van residuen van stoffen met farmacologische en hormonale werking, van antibiotica, van bestrijdingsmiddelen, van detergenten en van andere stoffen die schadelijk zijn, die de organoleptische kenmerken van de melk of de producten op basis van melk kunnen beïnvloeden of die eventueel ertoe kunnen leiden dat de consumptie van melk of producten op basis van melk gevaarlijk of schadelijk is voor de menselijke gezondheid wanneer deze residuen de toegestane wettelijke toleranties overschrijden.
Voor het onderzoek op residuen moet gebruik worden gemaakt van methoden die wetenschappelijk, op communautair- of op internationaal niveau, zijn erkend.
3. De melktanks en de lokalen, de installaties en de apparatuur mogen voor andere producten worden gebruikt, mits alle passende maatregelen worden genomen om besmetting of aantasting van de warmte behandelde consumptiemelk of de producten op basis van melk te voorkomen.
4. Het is de exploitant of beheerder van een inrichting verboden om rauwe melk te ontvangen welke afkomstig is van melkveehouderijbedrijven die niet voldoen aan de in hoofdstuk III gestelde eisen.
een systeem van procesborging waarin identificatieprocedures zijn vastgelegd ten aanzien van de kritieke punten in het productieproces. Deze borgingsprocedure moet worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteit;
toezicht en controle op deze kritieke punten volgens adequate methoden. De wijze van toezicht en controle alsmede de gebruikte methoden dienen te worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteit;
monsterneming voor analyse in een door de bevoegde autoriteit erkend laboratorium met het oog op de controle van de reinigings- en ontsmettingsmethoden en om na te gaan of voldaan wordt aan de in de Warenwetregeling Zuivelbereiding (Stcrt 1994, 243) vastgelegde normen;
de bewaring van de resultaten van de verschillende controles en tests gedurende ten minste 2 jaar, met uitzondering van producten op basis van melk, die niet bij kamertemperatuur kunnen worden bewaard, voor de laatstgenoemde producten kan deze termijn worden teruggebracht tot 2 maanden ingaande op de uiterste consumptiedatum of de datum van minimale houdbaarheid;
garanties ten aanzien van het correct beheer van de keurmerken. Hiervan dient mededeling te worden gedaan aan de bevoegde autoriteit;
een opleidingsprogramma dat het personeel in staat stelt te voldoen aan de voorschriften inzake hygiënische productie, die zijn aangepast aan de productiestructuur, tenzij het personeelslid reeds over een voldoende kwalificatie beschikt, ten bewijze waarvan het een diploma kan overleggen.
2. De exploitant of beheerder van de melkbehandelings- en/of melkvetwerkingsinrichting dient ervoor zorg te dragen dat de productie van melk, warmte behandelde melk en producten op basis van melk regelmatig wordt gecontroleerd. Deze controle dient gericht te zijn op het opsporen van residuen van stoffen met farmacologische en hormonale werking, van antibiotica, van bestrijdingsmiddelen, van detergenten en van andere stoffen die schadelijk zijn, die de organoleptische kenmerken van de melk of de producten op basis van melk kunnen beïnvloeden of die eventueel ertoe kunnen leiden dat de consumptie van melk of producten op basis van melk gevaarlijk of schadelijk is voor de menselijke gezondheid wanneer deze residuen de toegestane wettelijke toleranties overschrijden.
Voor het onderzoek op residuen moet gebruik worden gemaakt van methoden die wetenschappelijk, op communautair- of op internationaal niveau, zijn erkend.
3. De melktanks en de lokalen, de installaties en de apparatuur mogen voor andere producten worden gebruikt, mits alle passende maatregelen worden genomen om besmetting of aantasting van de warmte behandelde consumptiemelk of de producten op basis van melk te voorkomen.
4. Het is de exploitant of beheerder van een inrichting verboden om rauwe melk te ontvangen welke afkomstig is van melkveehouderijbedrijven die niet voldoen aan de in hoofdstuk III gestelde eisen.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0014563
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl