BWBR0015121
Geldig vanaf 31-05-2003
Artikel 5
Verordening welzijnsnormen vleeskalkoenen 2003
1. De pluimveehouder streeft naar een uitvalpercentage dat niet hoger is dan 6% bij vrouwelijke vleeskalkoenen en niet hoger is dan 10% bij mannelijke vleeskalkoenen.
2. Indien het uitvalspercentage van een koppel vrouwelijke vleeskalkoenen hoger is dan 6%, of indien het uitvalspercentage van een koppel manlijke vleeskalkoenen hoger is dan 10%, dient de pluimveehouder de oorzaak van deze overschrijding in zijn administratie vast te leggen.
3. Indien het uitvalspercentage, gemeten over 4 van 5 achtereenvolgens afgeleverde koppels vrouwelijke vleeskalkoenen gemiddeld hoger is dan 6%, dient de pluimveehouder advies inwinnen van een erkende pluimveedierenarts over welke maatregelen moeten worden genomen om het uitvalpercentage te verlagen. De pluimveehouder legt de inhoud van het advies vast in zijn administratie.
4. Indien het uitvalspercentage, gemeten over 4 van 5 achtereenvolgens afgeleverde koppels mannelijke vleeskalkoenen gemiddeld hoger is dan 10%, dient de pluimveehouder advies in te winnen van een erkende pluimveedierenarts welke maatregelen moeten worden genomen om het uitvalpercentage te verlagen. De pluimveehouder legt de inhoud van het advies vast in zijn administratie.
5. Bij de berekening van het gemiddelde uitvalspercentage mag van vijf achtereenvolgende koppels van hetzelfde geslacht, het koppel met het hoogste uitvalspercentage buiten beschouwing worden gelaten.
6. Het is toegestaan dat naast een erkende pluimveedierenarts ook andere deskundigen betrokken worden bij het aan de pluimveehouder schriftelijk uit te brengen advies. De erkende pluimveedierenarts blijft in dat geval eindverantwoordelijk voor het advies. Indien daar redenen voor aanwezig zijn mag de erkende pluimveedierenarts in overleg met de eventuele andere adviseurs een schriftelijk gegeven advies aanpassen. De pluimveehouder legt de inhoud van het advies vast in zijn administratie.
7. De pluimveehouder is verplicht het uitgebrachte advies gedurende tenminste het eerstvolgende opgezette koppel aantoonbaar op te volgen en na te leven. Daarna moet het resultaat van het opvolgen van het advies geëvalueerd worden door de pluimveehouder en de personen die bij het uitgebrachte advies betrokken zijn geweest. De pluimveehouder legt de naar aanleiding van het advies genomen maatregelen alsmede de conclusie van de evaluatie, vast in zijn administratie.
2. Indien het uitvalspercentage van een koppel vrouwelijke vleeskalkoenen hoger is dan 6%, of indien het uitvalspercentage van een koppel manlijke vleeskalkoenen hoger is dan 10%, dient de pluimveehouder de oorzaak van deze overschrijding in zijn administratie vast te leggen.
3. Indien het uitvalspercentage, gemeten over 4 van 5 achtereenvolgens afgeleverde koppels vrouwelijke vleeskalkoenen gemiddeld hoger is dan 6%, dient de pluimveehouder advies inwinnen van een erkende pluimveedierenarts over welke maatregelen moeten worden genomen om het uitvalpercentage te verlagen. De pluimveehouder legt de inhoud van het advies vast in zijn administratie.
4. Indien het uitvalspercentage, gemeten over 4 van 5 achtereenvolgens afgeleverde koppels mannelijke vleeskalkoenen gemiddeld hoger is dan 10%, dient de pluimveehouder advies in te winnen van een erkende pluimveedierenarts welke maatregelen moeten worden genomen om het uitvalpercentage te verlagen. De pluimveehouder legt de inhoud van het advies vast in zijn administratie.
5. Bij de berekening van het gemiddelde uitvalspercentage mag van vijf achtereenvolgende koppels van hetzelfde geslacht, het koppel met het hoogste uitvalspercentage buiten beschouwing worden gelaten.
6. Het is toegestaan dat naast een erkende pluimveedierenarts ook andere deskundigen betrokken worden bij het aan de pluimveehouder schriftelijk uit te brengen advies. De erkende pluimveedierenarts blijft in dat geval eindverantwoordelijk voor het advies. Indien daar redenen voor aanwezig zijn mag de erkende pluimveedierenarts in overleg met de eventuele andere adviseurs een schriftelijk gegeven advies aanpassen. De pluimveehouder legt de inhoud van het advies vast in zijn administratie.
7. De pluimveehouder is verplicht het uitgebrachte advies gedurende tenminste het eerstvolgende opgezette koppel aantoonbaar op te volgen en na te leven. Daarna moet het resultaat van het opvolgen van het advies geëvalueerd worden door de pluimveehouder en de personen die bij het uitgebrachte advies betrokken zijn geweest. De pluimveehouder legt de naar aanleiding van het advies genomen maatregelen alsmede de conclusie van de evaluatie, vast in zijn administratie.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0015121
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl