BWBR0034389
Geldig vanaf 17-12-2013
Artikel 2:14
Reglement Toetsing NRGD
1. Indien er een vermoeden bestaat dat sprake is van een van de gronden als vermeld in artikel 2:12, eerste lid respectievelijk artikel 2:13, eerste lid, kan het College beslissen tot het doen verrichten van een onderzoek.
2. Gedurende het in het eerste lid bedoelde onderzoek zal het lid van de toetsingsadviescommissie niet worden ingezet.
3. Het College stelt het betrokken lid van de toetsingsadviescommissie onverwijld schriftelijk in kennis van het in het eerste lid genoemde onderzoek. Ook van de beëindiging en de uitslag van het onderzoek wordt het lid van de toetsingsadviescommissie onverwijld schriftelijk op de hoogte gesteld door het College.
Het College kan op verschillende manieren het signaal bereiken dat er sprake is van een grond voor buiten functie stelling of beëindiging als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid respectievelijk 2:13, eerste lid. Het spreekt voor zich dat het College hiertoe niet overgaat zonder nader onderzoek te (laten) doen. Het College zal hierbij het lid van de toetsingsadviescommissie zelf ook in de gelegenheid moeten stellen zich over het signaal uit te laten. Het is raadzaam het betrokken lid, hangende het onderzoek, niet voor toetsingen in te zetten.
Bij de hiervoor genoemde signalen zal een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen moeten plaatsvinden. Het spreekt voor zich dat niet lichtvaardig wordt overgegaan tot een ingrijpend middel als het buiten functie stellen of de beëindiging van het lidmaatschap van de toetsingsadviescommissie. Het College zal bijzonder terughoudend zijn bij de toepassing van deze maatregelen. Vooral bij ingrijpende besluiten zoals beëindiging van het lidmaatschap van de toetsingsadviescommissie wordt het handelen van het College door het betrokken lid van de toetsingsadviescommissie, maar ook door zijn achterban – ofwel het veld – nauwgezet gevolgd. Het besluit tot het buiten functie stellen of de beëindiging van het lidmaatschap van de toetsingsadviescommissie zal dan ook moeten voldoen aan de vigerende wettelijke eisen. Dit betekent onder meer dat het besluit zorgvuldig moet worden voorbereid en goed moet worden gemotiveerd. Een signaal zal moeten worden onderzocht. Hierbij geldt dat niet elke tuchtrechtzaak, noch elk verschil van inzicht omtrent de wijze van toetsen een reden vormt het toetserschap te beëindigen. Een correcte invulling van bedoeld onderzoek is ook dat het betrokken lid in de gelegenheid moeten worden gesteld te worden gehoord alvorens het College over het buiten functie stellen of de beëindiging van zijn benoeming beslist. Dit horen kan op verschillende manieren plaatsvinden: telefonisch of in een persoonlijk gesprek. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt.
Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid van dit artikel zich voordoet zal het betrokken lid voor wat betreft de lopende toetsingen moeten worden vervangen door een andere lid van de toetsingsadviescommissie. Goed toetserschap brengt ook hier met zich dat het betrokken lid zorgt voor een goede overdracht.
2. Gedurende het in het eerste lid bedoelde onderzoek zal het lid van de toetsingsadviescommissie niet worden ingezet.
3. Het College stelt het betrokken lid van de toetsingsadviescommissie onverwijld schriftelijk in kennis van het in het eerste lid genoemde onderzoek. Ook van de beëindiging en de uitslag van het onderzoek wordt het lid van de toetsingsadviescommissie onverwijld schriftelijk op de hoogte gesteld door het College.
Het College kan op verschillende manieren het signaal bereiken dat er sprake is van een grond voor buiten functie stelling of beëindiging als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid respectievelijk 2:13, eerste lid. Het spreekt voor zich dat het College hiertoe niet overgaat zonder nader onderzoek te (laten) doen. Het College zal hierbij het lid van de toetsingsadviescommissie zelf ook in de gelegenheid moeten stellen zich over het signaal uit te laten. Het is raadzaam het betrokken lid, hangende het onderzoek, niet voor toetsingen in te zetten.
Bij de hiervoor genoemde signalen zal een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen moeten plaatsvinden. Het spreekt voor zich dat niet lichtvaardig wordt overgegaan tot een ingrijpend middel als het buiten functie stellen of de beëindiging van het lidmaatschap van de toetsingsadviescommissie. Het College zal bijzonder terughoudend zijn bij de toepassing van deze maatregelen. Vooral bij ingrijpende besluiten zoals beëindiging van het lidmaatschap van de toetsingsadviescommissie wordt het handelen van het College door het betrokken lid van de toetsingsadviescommissie, maar ook door zijn achterban – ofwel het veld – nauwgezet gevolgd. Het besluit tot het buiten functie stellen of de beëindiging van het lidmaatschap van de toetsingsadviescommissie zal dan ook moeten voldoen aan de vigerende wettelijke eisen. Dit betekent onder meer dat het besluit zorgvuldig moet worden voorbereid en goed moet worden gemotiveerd. Een signaal zal moeten worden onderzocht. Hierbij geldt dat niet elke tuchtrechtzaak, noch elk verschil van inzicht omtrent de wijze van toetsen een reden vormt het toetserschap te beëindigen. Een correcte invulling van bedoeld onderzoek is ook dat het betrokken lid in de gelegenheid moeten worden gesteld te worden gehoord alvorens het College over het buiten functie stellen of de beëindiging van zijn benoeming beslist. Dit horen kan op verschillende manieren plaatsvinden: telefonisch of in een persoonlijk gesprek. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt.
Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid van dit artikel zich voordoet zal het betrokken lid voor wat betreft de lopende toetsingen moeten worden vervangen door een andere lid van de toetsingsadviescommissie. Goed toetserschap brengt ook hier met zich dat het betrokken lid zorgt voor een goede overdracht.
- Citeren als
- Art. 2:14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0034389
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl