BWBR0034389
Geldig vanaf 17-12-2013
Artikel 2:2
Reglement Toetsing NRGD
Een lid van de toetsingsadviescommissie dient in staat te zijn de beoordeling van de aanvrager in onafhankelijkheid en zonder last of ruggespraak te verrichten.
Het staat buiten kijf dat een lid van de toetsingsadviescommissie aanvragers moet kunnen beoordelen op een onafhankelijke en onpartijdige wijze en met voldoende gezag en geloofwaardigheid. Een lid van de toetsingsadviescommissie moet van deze onafhankelijkheid blijk kunnen geven ten opzichte van te toetsen deskundigen alsook ten opzichte van de gebruikers van het registers, waaronder de rechterlijke macht en de advocatuur. Ten slotte moet het advies aan het College op zorgvuldige wijze tot stand komen.
De in dit artikel vervatte eis speelt onder meer in algemene zin ten tijde van de mogelijke benoeming. Hierbij moet gedacht worden aan de situatie dat de belangen die uit andere (neven)functies voortvloeien (on)verenigbaar kunnen zijn met de taakvervulling als lid van de toetsingsadviescommissie. Een zorgvuldige totstandkoming van het advies van de toetsingsadviescommissie vereist dat (de schijn van) een mogelijk belangenconflict te allen tijde moet worden voorkomen. Een dubbelrol van bijvoorbeeld belangenbehartiger tevens lid van de toetsingsadviescommissie zal niet bijdragen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
Het vorenstaande kan uiteraard ook een rol spelen na de benoeming. Van een lid van de toetsingsadviescommissie mag worden verwacht dat hij in staat is te beoordelen of hij ten opzichte van een specifieke aanvrager vrij is tot een oordeel te kunnen komen en of hij zich indien dat niet het geval is, dient te verschonen. Dit is een afweging die een lid van de toetsingsadviescommissie in elke situatie eigenstandig moet maken.
Het staat buiten kijf dat een lid van de toetsingsadviescommissie aanvragers moet kunnen beoordelen op een onafhankelijke en onpartijdige wijze en met voldoende gezag en geloofwaardigheid. Een lid van de toetsingsadviescommissie moet van deze onafhankelijkheid blijk kunnen geven ten opzichte van te toetsen deskundigen alsook ten opzichte van de gebruikers van het registers, waaronder de rechterlijke macht en de advocatuur. Ten slotte moet het advies aan het College op zorgvuldige wijze tot stand komen.
De in dit artikel vervatte eis speelt onder meer in algemene zin ten tijde van de mogelijke benoeming. Hierbij moet gedacht worden aan de situatie dat de belangen die uit andere (neven)functies voortvloeien (on)verenigbaar kunnen zijn met de taakvervulling als lid van de toetsingsadviescommissie. Een zorgvuldige totstandkoming van het advies van de toetsingsadviescommissie vereist dat (de schijn van) een mogelijk belangenconflict te allen tijde moet worden voorkomen. Een dubbelrol van bijvoorbeeld belangenbehartiger tevens lid van de toetsingsadviescommissie zal niet bijdragen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
Het vorenstaande kan uiteraard ook een rol spelen na de benoeming. Van een lid van de toetsingsadviescommissie mag worden verwacht dat hij in staat is te beoordelen of hij ten opzichte van een specifieke aanvrager vrij is tot een oordeel te kunnen komen en of hij zich indien dat niet het geval is, dient te verschonen. Dit is een afweging die een lid van de toetsingsadviescommissie in elke situatie eigenstandig moet maken.
- Citeren als
- Art. 2:2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0034389
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl