BWBR0036882
Geldig vanaf 25-07-2015
Artikel 3.2
Beleidsregel ICAAP beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen Wft 2015
1. Bij de beoordeling van het krediet- en tegenpartijrisico kan gedacht worden aan:
a. het risico dat een tegenpartij niet aan de verplichtingen jegens de onderneming kan voldoen;
b. het risico dat geen beroep kan worden gedaan op garanties afgegeven door de moeder of andere entiteiten binnen de groep;
c. het risico dat te betalen belastingen door de moeder of andere entiteiten binnen de groep wegens het zijn van een fiscale eenheid, door de onderneming moeten worden betaald;
d. het risico dat de onderneming loopt op het aanhouden van zijn contant geld bij een bank;
e. het risico van niet op de balans opgenomen posities, zoals aangegane vorderingen of verplichtingen en verstrekte en ontvangen verpandingen en garanties;
f. het krediet spread risico binnen de eigen handelsportefeuille van de onderneming;
g. het risico van een geconcentreerde exposure op tegenpartijen.
2. Bij de beoordeling van het marktrisico kan gedacht worden aan:
a. het risico op de eigen handelsportefeuille van de onderneming als gevolg van wijzigingen in marktprijzen van financiële instrumenten. Hierbij kan gedacht worden aan onder andere interest rate risk en equity price risk;
b. het risico van niet-beheerste waardeveranderingen als gevolg van valutakoersschommelingen in posities;
c. het risico dat posities niet geliquideerd kunnen worden als gevolg van een gebrek aan liquiditeit in de markt;
d. het risico dat de onderneming loopt op eigen beleggingen in securitisaties.
3. Bij de beoordeling van het concentratierisico kan gedacht worden aan:
a. het aantal klanten van de onderneming, hierbij kan met name gedacht worden aan het aantal grote klanten van de onderneming, de mate waarin deze klanten materieel bijdragen aan de omzet van de onderneming en de mate waarin het beheerd vermogen afhankelijk is van één of enkele klanten;
b. de mate waarin het aantal klanten kan wijzigen;
c. de mate waarin het toetsingsvermogen van de onderneming door één of enkele partijen wordt verstrekt, de mate waarin deze kapitaalverschaffers, ook na een eventuele kapitaalsinjectie in de onderneming, kapitaalskrachtig zijn en de invloed die de kapitaalspositie van de kapitaalverschaffers kan hebben op de beheerste en integere bedrijfsvoering van de onderneming;
d. de afhankelijkheid van één of enkele verschaffers van vreemd vermogen;
e. de afhankelijkheid van een beperkt aantal adviesmandaten;
f. de afhankelijkheid van één of een beperkt aantal typen beleggingsproducten;
g. het risico dat een grote afhankelijkheid bestaat van slechts enkele tegenpartijen binnen de eigen handelsportefeuille;
h. de uitsluitende focus op één beleggingsdienst of beleggingsactiviteit.
4. Bij de beoordeling van het liquiditeitsrisico kan gedacht worden aan:
a. het risico dat een onderneming te weinig liquide middelen heeft om aan zijn korte termijn verplichtingen te kunnen voldoen;
b. het risico van beperkte diversifiëring in de funding van de onderneming;
c. het risico op eventuele bijstortverplichtingen door de onderneming;
d. het risico dat op korte termijn onttrekkingen plaatsvinden aan beheerd vermogen.
5. Bij de beoordeling van het renterisico voortvloeiend uit niet-handelsactiviteiten kan gedacht worden aan het risico op een rentemismatch in posities voor eigen rekening die worden aangehouden in vastrentende waarden en rentederivaten.
a. het risico dat een tegenpartij niet aan de verplichtingen jegens de onderneming kan voldoen;
b. het risico dat geen beroep kan worden gedaan op garanties afgegeven door de moeder of andere entiteiten binnen de groep;
c. het risico dat te betalen belastingen door de moeder of andere entiteiten binnen de groep wegens het zijn van een fiscale eenheid, door de onderneming moeten worden betaald;
d. het risico dat de onderneming loopt op het aanhouden van zijn contant geld bij een bank;
e. het risico van niet op de balans opgenomen posities, zoals aangegane vorderingen of verplichtingen en verstrekte en ontvangen verpandingen en garanties;
f. het krediet spread risico binnen de eigen handelsportefeuille van de onderneming;
g. het risico van een geconcentreerde exposure op tegenpartijen.
2. Bij de beoordeling van het marktrisico kan gedacht worden aan:
a. het risico op de eigen handelsportefeuille van de onderneming als gevolg van wijzigingen in marktprijzen van financiële instrumenten. Hierbij kan gedacht worden aan onder andere interest rate risk en equity price risk;
b. het risico van niet-beheerste waardeveranderingen als gevolg van valutakoersschommelingen in posities;
c. het risico dat posities niet geliquideerd kunnen worden als gevolg van een gebrek aan liquiditeit in de markt;
d. het risico dat de onderneming loopt op eigen beleggingen in securitisaties.
3. Bij de beoordeling van het concentratierisico kan gedacht worden aan:
a. het aantal klanten van de onderneming, hierbij kan met name gedacht worden aan het aantal grote klanten van de onderneming, de mate waarin deze klanten materieel bijdragen aan de omzet van de onderneming en de mate waarin het beheerd vermogen afhankelijk is van één of enkele klanten;
b. de mate waarin het aantal klanten kan wijzigen;
c. de mate waarin het toetsingsvermogen van de onderneming door één of enkele partijen wordt verstrekt, de mate waarin deze kapitaalverschaffers, ook na een eventuele kapitaalsinjectie in de onderneming, kapitaalskrachtig zijn en de invloed die de kapitaalspositie van de kapitaalverschaffers kan hebben op de beheerste en integere bedrijfsvoering van de onderneming;
d. de afhankelijkheid van één of enkele verschaffers van vreemd vermogen;
e. de afhankelijkheid van een beperkt aantal adviesmandaten;
f. de afhankelijkheid van één of een beperkt aantal typen beleggingsproducten;
g. het risico dat een grote afhankelijkheid bestaat van slechts enkele tegenpartijen binnen de eigen handelsportefeuille;
h. de uitsluitende focus op één beleggingsdienst of beleggingsactiviteit.
4. Bij de beoordeling van het liquiditeitsrisico kan gedacht worden aan:
a. het risico dat een onderneming te weinig liquide middelen heeft om aan zijn korte termijn verplichtingen te kunnen voldoen;
b. het risico van beperkte diversifiëring in de funding van de onderneming;
c. het risico op eventuele bijstortverplichtingen door de onderneming;
d. het risico dat op korte termijn onttrekkingen plaatsvinden aan beheerd vermogen.
5. Bij de beoordeling van het renterisico voortvloeiend uit niet-handelsactiviteiten kan gedacht worden aan het risico op een rentemismatch in posities voor eigen rekening die worden aangehouden in vastrentende waarden en rentederivaten.
- Citeren als
- Art. 3.2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0036882
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl