BWBR0002564
Geldig vanaf 25-03-1967
Artikel 100
Mijnreglement continentaal plat
1. Bij mijnbouwkundig werk moet iedere arbeider zich vóór de aanvang van zijn werkzaamheden van de veiligheid op zijn werkpunt overtuigen.
2. Bij onmiddellijk dreigend gevaar moet het nodige worden verricht tot afwending daarvan en moet de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon onverwijld op de hoogte worden gesteld; de werkzaamheden moeten zo nodig terstond worden gestaakt en de betrokken plaats onderscheidenlijk mijnbouwinstallatie moet zo nodig worden verlaten.
3. De voorman van elke groep moet aan de voorman van de daaropvolgende groep alle bijzonderheden mededelen, die in zijn werktijd zijn voorgevallen of waargenomen, voor zover deze op de veiligheid van de bij mijnbouwkundig werk werkzame personen van invloed kunnen zijn. Zo nodig moet deze mededeling ter plaatse van het voorvallen of waarnemen der bijzonderheden geschieden.
5. In geval een mededeling als in het derde lid bedoeld niet kan geschieden vóór het overnemen van de arbeid door de eerstvolgende groep, moeten de desbetreffende bijzonderheden worden medegedeeld aan de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon, die ervoor zorg draagt, dat zij tijdig ter kennis van de voorman van de eerderbedoelde groep worden gebracht.
5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op personen, die zelfstandig op een werkpunt werkzaam zijn.
2. Bij onmiddellijk dreigend gevaar moet het nodige worden verricht tot afwending daarvan en moet de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon onverwijld op de hoogte worden gesteld; de werkzaamheden moeten zo nodig terstond worden gestaakt en de betrokken plaats onderscheidenlijk mijnbouwinstallatie moet zo nodig worden verlaten.
3. De voorman van elke groep moet aan de voorman van de daaropvolgende groep alle bijzonderheden mededelen, die in zijn werktijd zijn voorgevallen of waargenomen, voor zover deze op de veiligheid van de bij mijnbouwkundig werk werkzame personen van invloed kunnen zijn. Zo nodig moet deze mededeling ter plaatse van het voorvallen of waarnemen der bijzonderheden geschieden.
5. In geval een mededeling als in het derde lid bedoeld niet kan geschieden vóór het overnemen van de arbeid door de eerstvolgende groep, moeten de desbetreffende bijzonderheden worden medegedeeld aan de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon, die ervoor zorg draagt, dat zij tijdig ter kennis van de voorman van de eerderbedoelde groep worden gebracht.
5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op personen, die zelfstandig op een werkpunt werkzaam zijn.
- Citeren als
- Art. 100
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl