BWBR0002564
Geldig vanaf 01-01-1998
Artikel 102a
Mijnreglement continentaal plat
1. In dit artikel wordt onder 'persoonlijk beschermingsmiddel' verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen.
2. Het is verboden op een mijnbouwinstallatie of bij mijnbouwkundig werk persoonlijke beschermingsmiddelen voorhanden te hebben of te gebruiken die niet in overeenstemming zijn met het bij en krachtens het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen bepaalde. Dit verbod geldt niet voor persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen.
3. Het bij en krachtens artikel 11, eerste en derde lid, van het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot persoonlijke beschermingsmiddelen die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie of worden gebruikt bij mijnbouwkundig werk, met dien verstande dat artikel 11, eerste lid, van het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen niet geldt ten aanzien van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
4. De Inspecteur-Generaal der Mijnen is bevoegd herstelling te eisen van persoonlijke beschermingsmiddelen binnen een door hem vast te stellen termijn. Voorts kan hij, indien blijkt dat een persoonlijk beschermingsmiddel niet in overeenstemming is met het bij en krachtens het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen bepaalde, dat persoonlijke beschermingsmiddel voorzien van een merk van afkeuring. Door het aanbrengen van een merk van afkeuring verliest de op het persoonlijke beschermingsmiddel aangebrachte CE-markering van rechtswege haar geldigheid. Een krachtens de eerste zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene tot wie hij is gericht.
2. Het is verboden op een mijnbouwinstallatie of bij mijnbouwkundig werk persoonlijke beschermingsmiddelen voorhanden te hebben of te gebruiken die niet in overeenstemming zijn met het bij en krachtens het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen bepaalde. Dit verbod geldt niet voor persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen.
3. Het bij en krachtens artikel 11, eerste en derde lid, van het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot persoonlijke beschermingsmiddelen die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie of worden gebruikt bij mijnbouwkundig werk, met dien verstande dat artikel 11, eerste lid, van het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen niet geldt ten aanzien van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
4. De Inspecteur-Generaal der Mijnen is bevoegd herstelling te eisen van persoonlijke beschermingsmiddelen binnen een door hem vast te stellen termijn. Voorts kan hij, indien blijkt dat een persoonlijk beschermingsmiddel niet in overeenstemming is met het bij en krachtens het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen bepaalde, dat persoonlijke beschermingsmiddel voorzien van een merk van afkeuring. Door het aanbrengen van een merk van afkeuring verliest de op het persoonlijke beschermingsmiddel aangebrachte CE-markering van rechtswege haar geldigheid. Een krachtens de eerste zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene tot wie hij is gericht.
- Citeren als
- Art. 102a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl