BWBR0002564
Geldig vanaf 01-05-1983
Artikel 96b
Mijnreglement continentaal plat
1. Onze Minister kan bepalen dat de bestuurders van daarbij aangewezen mijnondernemingen, waarin - of waarvoor door anderen - een opsporingsonderzoek wordt ingesteld, dan wel delfstoffen worden gewonnen, op daarbij aangegeven plaatsen en in een daarbij aangegeven omvang gezamenlijk voor onmiddellijk gebruik gereed moeten hebben doelmatig ingerichte vaartuigen, luchtvaartuigen en ander doelmatig materieel, zomede voldoende middelen ter bestrijding van voorvallen als in artikel 96a, derde lid, bedoeld.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, bovendien bepalen dat het materieel en de middelen als in het eerste lid bedoeld mede in een daarbij aangegeven omvang moeten omvatten materieel en middelen ter beperking van de gevolgen van voorvallen als in artikel 96a, derde lid, bedoeld.
3. In geval van zodanig voorval moeten de bestuurders van de betrokken mijnonderneming indien en voor zover nodig onverwijld kunnen beschikken over materieel en middelen als in het eerste of tweede lid bedoeld.
4. Indien Onze Minister zulks verlangt zijn, in geval van een voorval als in artikel 96a, derde lid, bedoeld, de bestuurders van mijnondernemingen, die in de omgeving van het voorval werkzaam zijn, gehouden bij het bestrijden van het voorval of het beperken van de gevolgen daarvan zoveel mogelijk hulp en bijstand te verlenen.
5. Onze Minister kan ten aanzien van het bestrijden van een voorval als in artikel 96a, derde lid, bedoeld, zomede ten aanzien van het beperken van de gevolgen van zodanig voorval, voor wat betreft dat beperken in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat:
a. aangeven op welke wijze de desbetreffende werkzaamheden dienen te worden verricht en welke bestrijdingsmiddelen daarbij al dan niet mogen worden aangewend;
b. bepalen, dat de desbetreffende werkzaamheden dienen te worden opgedragen aan een ter zake deskundige en daarin gespecialiseerde instelling of onderneming.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, bovendien bepalen dat het materieel en de middelen als in het eerste lid bedoeld mede in een daarbij aangegeven omvang moeten omvatten materieel en middelen ter beperking van de gevolgen van voorvallen als in artikel 96a, derde lid, bedoeld.
3. In geval van zodanig voorval moeten de bestuurders van de betrokken mijnonderneming indien en voor zover nodig onverwijld kunnen beschikken over materieel en middelen als in het eerste of tweede lid bedoeld.
4. Indien Onze Minister zulks verlangt zijn, in geval van een voorval als in artikel 96a, derde lid, bedoeld, de bestuurders van mijnondernemingen, die in de omgeving van het voorval werkzaam zijn, gehouden bij het bestrijden van het voorval of het beperken van de gevolgen daarvan zoveel mogelijk hulp en bijstand te verlenen.
5. Onze Minister kan ten aanzien van het bestrijden van een voorval als in artikel 96a, derde lid, bedoeld, zomede ten aanzien van het beperken van de gevolgen van zodanig voorval, voor wat betreft dat beperken in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat:
a. aangeven op welke wijze de desbetreffende werkzaamheden dienen te worden verricht en welke bestrijdingsmiddelen daarbij al dan niet mogen worden aangewend;
b. bepalen, dat de desbetreffende werkzaamheden dienen te worden opgedragen aan een ter zake deskundige en daarin gespecialiseerde instelling of onderneming.
- Citeren als
- Art. 96b
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl