BWBR0002564
Geldig vanaf 22-09-1995
Artikel 103
Mijnreglement continentaal plat
1. Bij het monteren, plaatsen, onderhouden, herstellen of demonteren van een mijnbouwinstallatie of van onderdelen daarvan moeten voldoende maatregelen worden genomen teneinde de arbeiders zoveel mogelijk tegen ongevallen te beschermen.
2. Vloeren, trappen, ladders, klimijzers, bordessen, gaanderijen, steigers, stellingen, afdekkingen van vloeropeningen, mangatdeksels, loopplanken, loopbruggen en leuningen op een mijnbouwinstallatie moeten zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal en in goede staat van onderhoud verkeren. Zij moeten voldoende breed en voldoende sterk zijn in verband met de belasting, waaraan zij zullen worden onderworpen. Zij moeten zodanig zijn gemaakt, dat geen onderdeel in sterke mate of ten opzichte van een ander onderdeel ongelijkmatig kan doorbuigen. Voor zover zij gevaar opleveren, moeten daartegen doelmatige voorzieningen zijn getroffen.
3. Een heistelling, met alles wat daartoe behoort, gebruikt ten behoeve van een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen, moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.
4. Vloeren van ruimten moeten vrij zijn van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen; zij moeten vast, stabiel en slipvrij zijn.
5. De arbeidsplaatsen waar werkplekken zijn ingericht moeten voldoende thermisch geïsoleerd zijn, rekening houdend met de aard van het bedrijf en van de lichamelijke activiteit van de arbeiders.
6. Transparante of lichtdoorlatende wanden in ruimten of in de omgeving van werkplekken moeten duidelijk zijn gemarkeerd en van veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd of op zodanige wijze van die werkplekken zijn afgescheiden dat de arbeiders niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken.
7. Toegang tot daken die zijn vervaardigd van materialen die niet voldoende weerstand bieden is slechts toegestaan, indien uitrusting wordt verstrekt waardoor het betrokken werk veilig kan worden uitgevoerd.
2. Vloeren, trappen, ladders, klimijzers, bordessen, gaanderijen, steigers, stellingen, afdekkingen van vloeropeningen, mangatdeksels, loopplanken, loopbruggen en leuningen op een mijnbouwinstallatie moeten zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal en in goede staat van onderhoud verkeren. Zij moeten voldoende breed en voldoende sterk zijn in verband met de belasting, waaraan zij zullen worden onderworpen. Zij moeten zodanig zijn gemaakt, dat geen onderdeel in sterke mate of ten opzichte van een ander onderdeel ongelijkmatig kan doorbuigen. Voor zover zij gevaar opleveren, moeten daartegen doelmatige voorzieningen zijn getroffen.
3. Een heistelling, met alles wat daartoe behoort, gebruikt ten behoeve van een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen, moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.
4. Vloeren van ruimten moeten vrij zijn van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen; zij moeten vast, stabiel en slipvrij zijn.
5. De arbeidsplaatsen waar werkplekken zijn ingericht moeten voldoende thermisch geïsoleerd zijn, rekening houdend met de aard van het bedrijf en van de lichamelijke activiteit van de arbeiders.
6. Transparante of lichtdoorlatende wanden in ruimten of in de omgeving van werkplekken moeten duidelijk zijn gemarkeerd en van veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd of op zodanige wijze van die werkplekken zijn afgescheiden dat de arbeiders niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken.
7. Toegang tot daken die zijn vervaardigd van materialen die niet voldoende weerstand bieden is slechts toegestaan, indien uitrusting wordt verstrekt waardoor het betrokken werk veilig kan worden uitgevoerd.
- Citeren als
- Art. 103
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl