BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 119
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van pensioen, is Onze Minister bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hem aan te wijzen bijzondere gevallen is Onze Minister eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling.
2. Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorgeen bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
3. Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
2. Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorgeen bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
3. Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.