BWBR0002691
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 23
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
1. Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70 procent van een ouderdomspensioen, waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;
b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat: i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.
i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.
2. Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap.
3. Wanneer er in verband met hetzelfde overlijden behalve partnerpensioen ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, wordt het partnerpensioen verminderd met deze bijzondere partnerpensioenen.
a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;
b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat: i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.
i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.
2. Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap.
3. Wanneer er in verband met hetzelfde overlijden behalve partnerpensioen ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, wordt het partnerpensioen verminderd met deze bijzondere partnerpensioenen.