BWBR0003042
Geldig vanaf 01-10-1976
Artikel 2
Gratieregeling 1976
1. Omtrent verzoekschriften, overeenkomstig de wettelijke voorschriften ingediend, om vermindering, verandering of kwijtschelding van straffen, door vonnis, arrest of sententie van een Nederlandse rechter opgelegd, wordt door Onze Minister, voordat daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van de rechter die de straf heeft opgelegd. Verzoekschriften die niet bij Ons zijn ingediend worden, voordat het advies van de rechter wordt ingewonnen, aan Ons voorgelegd.
2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt de rechter die in hoger beroep een vonnis ten aanzien van de strafoplegging heeft bevestigd, aangemerkt als de rechter die de straf heeft opgelegd.
3. De voorgaande leden blijven buiten toepassing indien het verzoekschrift is voorafgegaan door een eerder verzoekschrift om gratie van dezelfde straf, waarop binnen één jaar voor de indiening van het tweede verzoekschrift is beschikt, tenzij in het latere verzoekschrift nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.
2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt de rechter die in hoger beroep een vonnis ten aanzien van de strafoplegging heeft bevestigd, aangemerkt als de rechter die de straf heeft opgelegd.
3. De voorgaande leden blijven buiten toepassing indien het verzoekschrift is voorafgegaan door een eerder verzoekschrift om gratie van dezelfde straf, waarop binnen één jaar voor de indiening van het tweede verzoekschrift is beschikt, tenzij in het latere verzoekschrift nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003042
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl