BWBR0003042
Geldig vanaf 01-10-1976
Artikel 8
Gratieregeling 1976
1. Tenzij Wij anders hebben bepaald, is Onze Minister gemachtigd afwijzend op een verzoekschrift om gratie te beschikken, indien hij meent dat het niet voor inwilliging in aanmerking komt en tevens
a. het rechterlijk advies afwijzend luidt, dan wel
b. de inwinning van het rechterlijk advies op grond van artikel 2, derde lid, achterwege is gebleven.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, blijft buiten toepassing, indien het verzoekschrift een of meer vrijheidsstraffen betreft met een gezamenlijke duur van zes jaar of langer dan wel indien gebleken is dat het rechterlijk advies niet met eenparigheid van stemmen is vastgesteld. Het bepaalde in het eerste lid blijft tevens buiten toepassing, indien overeenkomstig artikel 10, eerste volzin, het gevoelen van een andere Minister is ingewonnen, en deze blijk geeft van een van Onze Minister afwijkend gevoelen over de op het verzoekschrift te nemen beschikking.
a. het rechterlijk advies afwijzend luidt, dan wel
b. de inwinning van het rechterlijk advies op grond van artikel 2, derde lid, achterwege is gebleven.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, blijft buiten toepassing, indien het verzoekschrift een of meer vrijheidsstraffen betreft met een gezamenlijke duur van zes jaar of langer dan wel indien gebleken is dat het rechterlijk advies niet met eenparigheid van stemmen is vastgesteld. Het bepaalde in het eerste lid blijft tevens buiten toepassing, indien overeenkomstig artikel 10, eerste volzin, het gevoelen van een andere Minister is ingewonnen, en deze blijk geeft van een van Onze Minister afwijkend gevoelen over de op het verzoekschrift te nemen beschikking.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003042
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl