BWBR0003674
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 2.1.2
Besluit verfijningen algemene uitkering 1984
1. De aanwijzing tot gemeente met een omvangrijke opgave ten aanzien van woningbouw, bedoeld in artikel 2.1.1, heeft als datum van ingang 1 januari van enig jaar en omvat een geheel aantal jaren. De aanwijzing kan worden verlengd.
2. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zenden de ontwerp-beschikking tot aanwijzing, verlenging dan wel intrekking gelijktijdig aan de gemeente en gedeputeerde staten.
3. Gedeputeerde staten adviseren Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen acht weken na ontvangst van de ontwerp-beschikking.
4. De gemeente maakt, indien zij dat gewenst acht, binnen acht weken na ontvangst van de ontwerp-beschikking, haar zienswijze schriftelijk kenbaar en zendt daarvan afschrift aan gedeputeerde staten.
5. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslissen binnen zes maanden na de datum waarop de ontwerp-beschikking is verzonden.
6. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan gedeputeerde staten en tevens door plaatsing in de Staatscourant.
7. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wijzen slechts aan als de gemeente aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. de woningbouwopgave bedraagt tenminste 6000 woningen in 10 jaar;
b. de gemiddelde jaarlijkse woningbouwopgave bedraagt, uitgedrukt in procenten van de woningvoorraad op 1 januari van het laatste aan de aanwijzingsperiode voor de verfijning voorafgaande jaar:
c. de gemeente heeft zich bereid verklaard tot bestuurlijke samenwerking binnen het stadsgewest. Deze bereidverklaring blijkt uit een mede door de centrumgemeente ondertekende overeenkomst over de ontwikkeling en de uitvoering van de bouwlocatie.
8. Bij een verlenging van de aanwijzing zijn de in het achtste lid genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde onder de letter a, van de overeenkomstige toepassing.
9. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen ontheffing verlenen van de in het achtste lid onder de letter cgenoemde voorwaarde.
10. In de gevallen waarin uit stedebouwkundig oogpunt sprake is van één bouwlocatie die gelegen is op het grondgebied van meer dan één gemeente wordt per gemeente bezien of zij voor aanwijzing in aanmerking komt. Daarbij geldt de in het achtste lid onder de letter aopgenomen voorwaarde uitsluitend voor de bouwlocatie als geheel. De onder de letters ben copgenomen voorwaarden blijven in dat geval onverkort van kracht op de afzonderlijke gemeenten.
2. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zenden de ontwerp-beschikking tot aanwijzing, verlenging dan wel intrekking gelijktijdig aan de gemeente en gedeputeerde staten.
3. Gedeputeerde staten adviseren Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen acht weken na ontvangst van de ontwerp-beschikking.
4. De gemeente maakt, indien zij dat gewenst acht, binnen acht weken na ontvangst van de ontwerp-beschikking, haar zienswijze schriftelijk kenbaar en zendt daarvan afschrift aan gedeputeerde staten.
5. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslissen binnen zes maanden na de datum waarop de ontwerp-beschikking is verzonden.
6. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan gedeputeerde staten en tevens door plaatsing in de Staatscourant.
7. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wijzen slechts aan als de gemeente aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. de woningbouwopgave bedraagt tenminste 6000 woningen in 10 jaar;
b. de gemiddelde jaarlijkse woningbouwopgave bedraagt, uitgedrukt in procenten van de woningvoorraad op 1 januari van het laatste aan de aanwijzingsperiode voor de verfijning voorafgaande jaar:
c. de gemeente heeft zich bereid verklaard tot bestuurlijke samenwerking binnen het stadsgewest. Deze bereidverklaring blijkt uit een mede door de centrumgemeente ondertekende overeenkomst over de ontwikkeling en de uitvoering van de bouwlocatie.
8. Bij een verlenging van de aanwijzing zijn de in het achtste lid genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde onder de letter a, van de overeenkomstige toepassing.
9. Onze Ministers en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen ontheffing verlenen van de in het achtste lid onder de letter cgenoemde voorwaarde.
10. In de gevallen waarin uit stedebouwkundig oogpunt sprake is van één bouwlocatie die gelegen is op het grondgebied van meer dan één gemeente wordt per gemeente bezien of zij voor aanwijzing in aanmerking komt. Daarbij geldt de in het achtste lid onder de letter aopgenomen voorwaarde uitsluitend voor de bouwlocatie als geheel. De onder de letters ben copgenomen voorwaarden blijven in dat geval onverkort van kracht op de afzonderlijke gemeenten.