BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1997
Artikel I-P17
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. De betrokkene is voor door het bevoegd gezag verstrekte genot van woning, verstrekkingen in de woning, kost en inwoning een bedrag verschuldigd overeenkomende met een percentage van de voor hem geldende berekeningsbasis tot ten hoogste de door Onze minister vastgestelde maximumbedragen als aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit.
2. De berekeningsbasis bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de som van salaris bij normbetrekking en toelagen op grond van dit besluit. Van de berekeningsbasis maakt geen deel uit de toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel I-S107 of de garantietoelage onregelmatige dienst als bedoeld in artikel I-S108.
3. Indien de betrokkene aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het bepaalde in het eerste lid geldende bedrag wegens genot van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.
4. Bij geoorloofde afwezigheid wordt het bedrag dat voor het genot van kost verschuldigd zou zijn voor elke dag dat dit emolument niet wordt genoten, verminderd met een bedrag als is aangegeven in bijlage 3.
5. De op grond van de bepalingen van dit artikel door betrokkene verschuldigde bedragen worden verrekend bij de uitbetalingen van het salaris dan wel, indien dat niet mogelijk is, afzonderlijk in rekening gebracht.
6. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die afwijkt van het bepaalde in het eerste en het vierde lid.
7. In geval andere dan de in dit artikel en bijlage 3 genoemde voordelen worden genoten kan een regeling worden getroffen, waarbij de hiervoor door betrokkene verschuldigde bedragen worden vastgesteld.
8. Een regeling als bedoeld in het zesde en zevende lid wordt getroffen bij gemeenschappelijke beschikking van Onze minister en Onze minister van Binnenlandse Zaken.
9. Voor zover een verstrekking niet gedurende een hele maand wordt genoten wordt het bedrag van de inhouding over het gedeelte van de maand berekend door het maandbedrag van de inhouding te vermenigvuldigen met q * 3/13, waarbij "q" gelijk is aan het aantal volledige kalenderweken waarin de desbetreffende verstrekking wordt genoten.
10. De maximumbedragen als bedoeld in het eerste en het vierde lid worden door Onze minister vastgesteld overeenkomstig de bedragen die gelden voor het rijkspersoneel.
2. De berekeningsbasis bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de som van salaris bij normbetrekking en toelagen op grond van dit besluit. Van de berekeningsbasis maakt geen deel uit de toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel I-S107 of de garantietoelage onregelmatige dienst als bedoeld in artikel I-S108.
3. Indien de betrokkene aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het bepaalde in het eerste lid geldende bedrag wegens genot van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.
4. Bij geoorloofde afwezigheid wordt het bedrag dat voor het genot van kost verschuldigd zou zijn voor elke dag dat dit emolument niet wordt genoten, verminderd met een bedrag als is aangegeven in bijlage 3.
5. De op grond van de bepalingen van dit artikel door betrokkene verschuldigde bedragen worden verrekend bij de uitbetalingen van het salaris dan wel, indien dat niet mogelijk is, afzonderlijk in rekening gebracht.
6. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die afwijkt van het bepaalde in het eerste en het vierde lid.
7. In geval andere dan de in dit artikel en bijlage 3 genoemde voordelen worden genoten kan een regeling worden getroffen, waarbij de hiervoor door betrokkene verschuldigde bedragen worden vastgesteld.
8. Een regeling als bedoeld in het zesde en zevende lid wordt getroffen bij gemeenschappelijke beschikking van Onze minister en Onze minister van Binnenlandse Zaken.
9. Voor zover een verstrekking niet gedurende een hele maand wordt genoten wordt het bedrag van de inhouding over het gedeelte van de maand berekend door het maandbedrag van de inhouding te vermenigvuldigen met q * 3/13, waarbij "q" gelijk is aan het aantal volledige kalenderweken waarin de desbetreffende verstrekking wordt genoten.
10. De maximumbedragen als bedoeld in het eerste en het vierde lid worden door Onze minister vastgesteld overeenkomstig de bedragen die gelden voor het rijkspersoneel.
- Citeren als
- Art. I-P17
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl