BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1996
Artikel I-P5
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Zonder voorafgaand ontslag kan voor een betrokkene geen andere functie gaan gelden dan de functie waarin hij reeds is benoemd, behoudens het bepaalde in de artikelen I-Q106, I-Q107, I-Q209 en I-S110. De eerste volzin is niet van toepassing indien het bevoegd gezag bij de bepaling van het functieniveau met de betrokkene is overeengekomen dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de schaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden.
2. De omvang van de betrekking van een betrokkene die in vaste dienst is benoemd, wordt niet tegen zijn wil verkleind, behoudens de mogelijkheid van het verval van rechtswege op grond van artikel I-P80.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het personeel genoemd in artikel I-A1, onder e5, e6, e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, e17 en e18.
4. Indien een betrokkene, als bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e10, e14, e15, e17 en e18, in verband met de opheffing van zijn functie, aan dezelfde instelling direct aansluitend wordt benoemd in een functie met een lager functieniveau dan het functieniveau dat behoorde bij zijn oude functie en indien het salaris dat hij op de dag direct voorafgaande aan de benoeming in die oude functie genoot, hoger is dan het hoogste bedrag in de maximumschaal van de functie waarin benoeming plaatsvindt, wordt aan hem voor de duur van die benoeming een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen het bedrag behorende bij het salarisnummer dat op hem van toepassing was op de dag voorafgaande aan de benoeming in de bedoelde functie en het hoogste bedrag in de maximumschaal behorend bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt. De toelage vervalt indien hij aan een andere instelling wordt benoemd danwel indien hij wordt benoemd in een functie met een hogere maximumschaal.
2. De omvang van de betrekking van een betrokkene die in vaste dienst is benoemd, wordt niet tegen zijn wil verkleind, behoudens de mogelijkheid van het verval van rechtswege op grond van artikel I-P80.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het personeel genoemd in artikel I-A1, onder e5, e6, e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, e17 en e18.
4. Indien een betrokkene, als bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e10, e14, e15, e17 en e18, in verband met de opheffing van zijn functie, aan dezelfde instelling direct aansluitend wordt benoemd in een functie met een lager functieniveau dan het functieniveau dat behoorde bij zijn oude functie en indien het salaris dat hij op de dag direct voorafgaande aan de benoeming in die oude functie genoot, hoger is dan het hoogste bedrag in de maximumschaal van de functie waarin benoeming plaatsvindt, wordt aan hem voor de duur van die benoeming een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen het bedrag behorende bij het salarisnummer dat op hem van toepassing was op de dag voorafgaande aan de benoeming in de bedoelde functie en het hoogste bedrag in de maximumschaal behorend bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt. De toelage vervalt indien hij aan een andere instelling wordt benoemd danwel indien hij wordt benoemd in een functie met een hogere maximumschaal.
- Citeren als
- Art. I-P5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl