BWBR0003936
Geldig vanaf 1986-04-15
Artikel 15
Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen
1. Olietankschepen met een tonnage van 150 of meer dienen te zijn uitgerust met:
a. toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks, alsmede voor het overbrengen van de verontreinigde ballastrestanten en het tankwaswater naar een goedgekeurde sloptank, waarbij zodanige voorzieningen voor het overbrengen van de oliehoudende restanten naar een sloptank of een combinatie van sloptanks zijn getroffen, dat de lozing van elke vloeistof in de zee voldoet aan het bepaalde in artikel 9;
b. een sloptank of een combinatie van sloptanks die voldoen aan het bepaalde in het vierde lid;
c. een bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie dat voldoet aan het bepaalde in het vijfde lid;
d. doelmatige apparatuur om snel en nauwkeurig het oliewater scheidingsvlak in de sloptank vast te stellen; en
e. een goedgekeurd handboek waarin richtlijnen met betrekking tot het gebruik van de bewakings- en regelapparatuur zijn opgenomen en waarin zowel de automatische als de hand bediende werkwijze is beschreven.
De apparatuur als bedoeld onder ddient ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin scheiding van olie en water tot stand komt, en van waaruit men lozing rechtstreeks in de zee wil doen plaatsvinden.
2. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 tonmassa of meer dienen te zijn voorzien van tenminste twee sloptanks.
3. Bestaande olietankschepen met een tonnage van 150 of meer dienen eveneens te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid met dien verstande dat iedere ladingtank kan worden aangemerkt als sloptank.
4. a. Sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaatsing van de in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voor zover aangebracht, dat overmatige turbulentie met het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water, wordt voorkomen.
b. 1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet minder zijn dan 3% van de inhoud van de ladingtanks van het schip.
2°. De inspecteur-generaal kan toestaan dat de onder 1° voorgeschreven inhoud van de sloptanks of van de combinatie van sloptanks wordt verminderd: (i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
(i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet minder zijn dan 3% van de inhoud van de ladingtanks van het schip.
2°. De inspecteur-generaal kan toestaan dat de onder 1° voorgeschreven inhoud van de sloptanks of van de combinatie van sloptanks wordt verminderd: (i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
(i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
5. a. Het bewaking- en regelsysteem voor olielozingen als bedoeld in het eerste lid, onder c dient: 1°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en
2°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder a, van artikel 9 overschrijdt.
1°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en
2°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder a, van artikel 9 overschrijdt.
b. Elke storing in het bewakings- en regelsysteem dient de lozing automatisch te doen stoppen en moet worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
c. Er dient een andere methode door middel van handbediening aanwezig te zijn, die in geval van een dergelijke storing kan worden gebruikt. Het onklaar onderdeel van de apparatuur dient echter zo spoedig mogelijk bedrijfsklaar te worden gemaakt. De havenautoriteit kan een olietankschip met een onklaar onderdeel van de apparatuur toestemming verlenen een ballastreis te ondernemen voordat het zich naar een reparatiehaven begeeft.
6. Op olietankschepen met een tonnage van minder dan 150 is het bepaalde in de vorige leden niet van toepassing. Olie en verontreinigd tankwaswater dienen aan boord te worden gehouden en te worden verzameld in een opslagtank voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen, tenzij voldoende voorzieningen zijn getroffen voor het zodanig bewaken van de lozing van deze vloeistoffen in de zee dat verzekerd is dat daarbij aan het bepaalde in artikel 9wordt voldaan.
7. a. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid indien een olietankschip uitsluitend reizen maakt gelegen binnen een afstand van 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarvan de reisduur niet meer bedraagt dan 72 uur en de reizen uitsluitend gemaakt worden tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag. Een zodanige ontheffing kan slechts worden verleend indien het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt, ter latere afgifte aan havenontvangstvoorzieningen, en deze havenontvangstvoorzieningen toereikend zijn, dit ter beoordeling van de inspecteur-generaal.
b. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijfde lid, voor schepen niet vallende onder a, in de volgende gevallen: 1°. voor bestaande olietankschepen met een draagvermogen van 40 000 tonmassa of meer ingezet op reizen als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, en welke daarbij voldoen aan het bepaalde in artikel 13c, tweede lid; of
2°. voor olietankschepen die uitsluitend reizen maken: (i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
(i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1°. voor bestaande olietankschepen met een draagvermogen van 40 000 tonmassa of meer ingezet op reizen als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, en welke daarbij voldoen aan het bepaalde in artikel 13c, tweede lid; of
2°. voor olietankschepen die uitsluitend reizen maken: (i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
(i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
c. Indien een ontheffing wordt verleend overeenkomstig het bepaalde onder b, dient tevens te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1°. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen; en
2°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip van afgifte en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
1°. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen; en
2°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip van afgifte en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
d. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, onder (ii), dienen binnen het genoemde gebied de havenontvangstvoorzieningen toereikend te zijn, dit ter beoordeling van de inspecteur-generaal.
e. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel b, onder 2° (i) en 2° (ii), ten 2e, zullen de genoemde gebieden worden vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5.
8. a. De inspecteur-generaal kan vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder a 6° en in het eerste lid onder c van dit artikel, indien geen apparatuur voor de bewaking en regeling van het lozen van geraffineerde lichte produkten beschikbaar is.
b. Indien een vrijstelling als bedoeld onder a is verleend, dient de lozing te geschieden volgens door de inspecteur-generaal te stellen voorschriften.
c. De inspecteur-generaal zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder a genoemde apparatuur beschikbaar is.
9. Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is niet van toepassing op een olietankschip dat asfalt vervoert of andere producten waarop de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, waarvan de fysische eigenschappen een effectieve scheiding van het product en water alsmede een effectief bewaken van de lozing belemmeren. Alle ladingrestanten dienen aan boord te worden gehouden en tezamen met alle verontreinigd waswater aan een havenontvangstvoorziening te worden afgegeven.
a. toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks, alsmede voor het overbrengen van de verontreinigde ballastrestanten en het tankwaswater naar een goedgekeurde sloptank, waarbij zodanige voorzieningen voor het overbrengen van de oliehoudende restanten naar een sloptank of een combinatie van sloptanks zijn getroffen, dat de lozing van elke vloeistof in de zee voldoet aan het bepaalde in artikel 9;
b. een sloptank of een combinatie van sloptanks die voldoen aan het bepaalde in het vierde lid;
c. een bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie dat voldoet aan het bepaalde in het vijfde lid;
d. doelmatige apparatuur om snel en nauwkeurig het oliewater scheidingsvlak in de sloptank vast te stellen; en
e. een goedgekeurd handboek waarin richtlijnen met betrekking tot het gebruik van de bewakings- en regelapparatuur zijn opgenomen en waarin zowel de automatische als de hand bediende werkwijze is beschreven.
De apparatuur als bedoeld onder ddient ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin scheiding van olie en water tot stand komt, en van waaruit men lozing rechtstreeks in de zee wil doen plaatsvinden.
2. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 tonmassa of meer dienen te zijn voorzien van tenminste twee sloptanks.
3. Bestaande olietankschepen met een tonnage van 150 of meer dienen eveneens te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid met dien verstande dat iedere ladingtank kan worden aangemerkt als sloptank.
4. a. Sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaatsing van de in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voor zover aangebracht, dat overmatige turbulentie met het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water, wordt voorkomen.
b. 1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet minder zijn dan 3% van de inhoud van de ladingtanks van het schip.
2°. De inspecteur-generaal kan toestaan dat de onder 1° voorgeschreven inhoud van de sloptanks of van de combinatie van sloptanks wordt verminderd: (i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
(i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet minder zijn dan 3% van de inhoud van de ladingtanks van het schip.
2°. De inspecteur-generaal kan toestaan dat de onder 1° voorgeschreven inhoud van de sloptanks of van de combinatie van sloptanks wordt verminderd: (i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
(i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem;
(iii). tot 1% voor een combinatietankschip, dat de olie uitsluitend vervoert in tanks met gladde wanden, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 0,8% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem.
5. a. Het bewaking- en regelsysteem voor olielozingen als bedoeld in het eerste lid, onder c dient: 1°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en
2°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder a, van artikel 9 overschrijdt.
1°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en
2°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder a, van artikel 9 overschrijdt.
b. Elke storing in het bewakings- en regelsysteem dient de lozing automatisch te doen stoppen en moet worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
c. Er dient een andere methode door middel van handbediening aanwezig te zijn, die in geval van een dergelijke storing kan worden gebruikt. Het onklaar onderdeel van de apparatuur dient echter zo spoedig mogelijk bedrijfsklaar te worden gemaakt. De havenautoriteit kan een olietankschip met een onklaar onderdeel van de apparatuur toestemming verlenen een ballastreis te ondernemen voordat het zich naar een reparatiehaven begeeft.
6. Op olietankschepen met een tonnage van minder dan 150 is het bepaalde in de vorige leden niet van toepassing. Olie en verontreinigd tankwaswater dienen aan boord te worden gehouden en te worden verzameld in een opslagtank voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen, tenzij voldoende voorzieningen zijn getroffen voor het zodanig bewaken van de lozing van deze vloeistoffen in de zee dat verzekerd is dat daarbij aan het bepaalde in artikel 9wordt voldaan.
7. a. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid indien een olietankschip uitsluitend reizen maakt gelegen binnen een afstand van 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarvan de reisduur niet meer bedraagt dan 72 uur en de reizen uitsluitend gemaakt worden tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag. Een zodanige ontheffing kan slechts worden verleend indien het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt, ter latere afgifte aan havenontvangstvoorzieningen, en deze havenontvangstvoorzieningen toereikend zijn, dit ter beoordeling van de inspecteur-generaal.
b. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijfde lid, voor schepen niet vallende onder a, in de volgende gevallen: 1°. voor bestaande olietankschepen met een draagvermogen van 40 000 tonmassa of meer ingezet op reizen als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, en welke daarbij voldoen aan het bepaalde in artikel 13c, tweede lid; of
2°. voor olietankschepen die uitsluitend reizen maken: (i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
(i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1°. voor bestaande olietankschepen met een draagvermogen van 40 000 tonmassa of meer ingezet op reizen als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, en welke daarbij voldoen aan het bepaalde in artikel 13c, tweede lid; of
2°. voor olietankschepen die uitsluitend reizen maken: (i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
(i). binnen een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid; of
(ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of
2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt.
c. Indien een ontheffing wordt verleend overeenkomstig het bepaalde onder b, dient tevens te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1°. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen; en
2°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip van afgifte en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
1°. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen; en
2°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip van afgifte en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
d. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, onder (ii), dienen binnen het genoemde gebied de havenontvangstvoorzieningen toereikend te zijn, dit ter beoordeling van de inspecteur-generaal.
e. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel b, onder 2° (i) en 2° (ii), ten 2e, zullen de genoemde gebieden worden vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5.
8. a. De inspecteur-generaal kan vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder a 6° en in het eerste lid onder c van dit artikel, indien geen apparatuur voor de bewaking en regeling van het lozen van geraffineerde lichte produkten beschikbaar is.
b. Indien een vrijstelling als bedoeld onder a is verleend, dient de lozing te geschieden volgens door de inspecteur-generaal te stellen voorschriften.
c. De inspecteur-generaal zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder a genoemde apparatuur beschikbaar is.
9. Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is niet van toepassing op een olietankschip dat asfalt vervoert of andere producten waarop de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, waarvan de fysische eigenschappen een effectieve scheiding van het product en water alsmede een effectief bewaken van de lozing belemmeren. Alle ladingrestanten dienen aan boord te worden gehouden en tezamen met alle verontreinigd waswater aan een havenontvangstvoorziening te worden afgegeven.