BWBR0003936
Geldig vanaf 1986-04-15
Artikel 2
Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen
1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing op alle schepen.
2. a. Op schepen geen olietankschepen zijnde, welke zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk met een totale inhoud van 200m3 of meer, zijn voor wat betreft de constructie en het gebruik van die laadruimten, de bepalingen voor olietankschepen van de artikelen 9, 10, 14, 15, eerste tot en met vijfde lid, 18, 20, en 24, vierde lid, eveneens van toepassing.
b. Indien echter de totale inhoud van de onder a van dit lid bedoelde laadruimten minder is dan 1000 m3, mogen de bepalingen van het zesde lid van artikel 15 worden toegepast, in plaats van die van het eerste tot en met het vijfde lid van artikel 15.
3. Indien een lading waarop de bepalingen van het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffenvan toepassing zijn, in de ladingtanks van een olietankschip of combinatietankschip wordt vervoerd, dient eveneens te worden voldaan aan de desbetreffende voorschriften van dat besluit.
4. a. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III ten aanzien van constructieve aspecten en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de inspecteur-generaal van de toepassing van deze bepalingen worden ontheven, mits de constructie en de uitrusting van deze schepen gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, een en ander met inachtneming van het doel waarvoor deze schepen zijn bestemd en met inachtneming van artikel 2a, eerste en tweede lid.
b. Indien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, op een vaartuig als bedoeld onder a van toepassing is, worden de bijzonderheden betreffende een ontheffing door de inspecteur-generaal vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5.
2. a. Op schepen geen olietankschepen zijnde, welke zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk met een totale inhoud van 200m3 of meer, zijn voor wat betreft de constructie en het gebruik van die laadruimten, de bepalingen voor olietankschepen van de artikelen 9, 10, 14, 15, eerste tot en met vijfde lid, 18, 20, en 24, vierde lid, eveneens van toepassing.
b. Indien echter de totale inhoud van de onder a van dit lid bedoelde laadruimten minder is dan 1000 m3, mogen de bepalingen van het zesde lid van artikel 15 worden toegepast, in plaats van die van het eerste tot en met het vijfde lid van artikel 15.
3. Indien een lading waarop de bepalingen van het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffenvan toepassing zijn, in de ladingtanks van een olietankschip of combinatietankschip wordt vervoerd, dient eveneens te worden voldaan aan de desbetreffende voorschriften van dat besluit.
4. a. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III ten aanzien van constructieve aspecten en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de inspecteur-generaal van de toepassing van deze bepalingen worden ontheven, mits de constructie en de uitrusting van deze schepen gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, een en ander met inachtneming van het doel waarvoor deze schepen zijn bestemd en met inachtneming van artikel 2a, eerste en tweede lid.
b. Indien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, op een vaartuig als bedoeld onder a van toepassing is, worden de bijzonderheden betreffende een ontheffing door de inspecteur-generaal vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5.