BWBR0003936
Geldig vanaf 1986-04-15
Artikel 2a
Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen
1. Uitrusting als bedoeld in bijlage A.1/2 mag slechts aan boord van schepen worden geplaatst indien die uitrusting:
a. is voorzien van het merk van overeenstemming, weergegeven in bijlage D van richtlijn nr. 96/98/EG, of
b. vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in de artikelen 20 respectievelijk 21 van de Wet scheepsuitrusting.
2. Indien uitrusting als bedoeld in het eerste lid vervangen moet worden terwijl het schip zich bevindt in een haven van een andere staat dan een van de lidstaten van de Europese Unie, en het uit oogpunt van tijd, vertraging en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn nr. 96/98/EGeen EG-typegoedkeuring is verleend, mag andere dan de in het eerste lid bedoelde uitrusting worden geplaatst, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 16, eerste en tweede lid, van die richtlijn.
3. Gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen.
4. Indien ten aanzien van uitrusting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting, neemt de inspecteur-generaal de passende voorlopige maatregelen om het gebruik van die uitrusting te beperken. Zo nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik van die uitrusting aan boord van schepen.
5. Artikel 23, tweede lid, van de Wet scheepsuitrustingis van overeenkomstige toepassing indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid.
a. is voorzien van het merk van overeenstemming, weergegeven in bijlage D van richtlijn nr. 96/98/EG, of
b. vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in de artikelen 20 respectievelijk 21 van de Wet scheepsuitrusting.
2. Indien uitrusting als bedoeld in het eerste lid vervangen moet worden terwijl het schip zich bevindt in een haven van een andere staat dan een van de lidstaten van de Europese Unie, en het uit oogpunt van tijd, vertraging en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn nr. 96/98/EGeen EG-typegoedkeuring is verleend, mag andere dan de in het eerste lid bedoelde uitrusting worden geplaatst, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 16, eerste en tweede lid, van die richtlijn.
3. Gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen.
4. Indien ten aanzien van uitrusting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting, neemt de inspecteur-generaal de passende voorlopige maatregelen om het gebruik van die uitrusting te beperken. Zo nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik van die uitrusting aan boord van schepen.
5. Artikel 23, tweede lid, van de Wet scheepsuitrustingis van overeenkomstige toepassing indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid.