BWBR0003936
Geldig vanaf 1986-04-15
Artikel 18
Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen
1. Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een losaansluiting te zijn aangebracht voor de afgifte van door olie verontreinigd ballastwater of tankwaswater aan havenontvangstvoorzieningen.
2. a. Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen van ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte van het schip, zoals toegestaan krachtens artikel 9 of 10, te zijn geleid naar het open dek, of naar de zijde van het schip boven de waterlijn, behorende bij de ballasttoestand met de grootste diepgang.
b. Voor lozingen toegestaan krachtens het bepaalde in het zesde lid kan een afwijkend systeem worden aanvaard, zulks naar het oordeel van de inspecteur-generaal.
3. a. Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te zijn getroffen voor het stoppen van de lozing van ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte van het schip, vanaf een zodanige plaats op het bovendek of hoger, dat de in gebruik zijnde losaansluiting, bedoeld in het eerste lid, en de lozing in zee uit de pijpleidingen, bedoeld in het tweede lid, onder a, vanaf die plaats met het oog waarneembaar zijn.
b. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien is voorzien in een goed werkende radio- of telefoonverbinding tussen de waarnemingsplaats en de plaats waar de lozing kan worden gestopt.
4. Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks of dat moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de volgende bepalingen:
a. het schip moet zijn uitgerust met ladingleidingen welke zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt beperkt; en
b. voorzieningen moeten zijn getroffen voor het aftappen van alle ladingpompen en alle ladingleidingen na het lossen, zonodig door aansluiting op een nazuigsysteem. De afgetapte olie moet zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank kunnen worden overgebracht. Voor afgifte aan de wal moet een afzonderlijke leiding met een kleine diameter zijn aangebracht. Deze leiding dient te zijn aangesloten op de losaansluiting buiten de hoofdafsluiters.
5. Elk bestaand ruwe olietankschip dat dient te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks of de methode van aangewezen schone ballasttanks gebruikt dan wel dient te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, onder b.
6. Aan boord van olietankschepen dient ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte boven de waterlijn te worden geloosd behalve in de volgende gevallen:
a. gescheiden en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd: 1°. in havens; of
2°. op zee door het laten aflopen van de tanks; mits een onderzoek van de oppervlakte van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden;
1°. in havens; of
2°. op zee door het laten aflopen van de tanks; mits een onderzoek van de oppervlakte van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden;
b. bestaande olietankschepen welke zonder verbouwing niet in staat zijn gescheiden ballastwater boven de waterlijn te lozen, mogen dergelijk ballastwater op zee onder de waterlijn lozen mits een onderzoek van de oppervlakte van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden;
c. bestaande olietankschepen welke gebruik maken van aangewezen schone ballasttanks en zonder verbouwing niet in staat zijn ballastwater uit deze tanks boven de waterlijn te lozen, mogen dergelijk ballastwater onder de waterlijn lozen mits de lozing wordt gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 A, derde lid;
d. olietankschepen mogen verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van de ladingtanks, uitgezonderd de sloptanks, op zee onder de waterlijn lozen door het laten aflopen van de tank mits: 1°. er voldoende tijd is verstreken zodat scheiding van olie en water heeft plaatsgevonden; en
2°. het ballastwater is onderzocht onmiddellijk voorafgaand aan de lozing met apparatuur voor het vaststellen van het oliewater scheidingsvlak, bedoeld in artikel 15, eerste lid onder d, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico met zich meebrengt voor het mariene milieu.
1°. er voldoende tijd is verstreken zodat scheiding van olie en water heeft plaatsgevonden; en
2°. het ballastwater is onderzocht onmiddellijk voorafgaand aan de lozing met apparatuur voor het vaststellen van het oliewater scheidingsvlak, bedoeld in artikel 15, eerste lid onder d, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico met zich meebrengt voor het mariene milieu.
e. In afwijking van het bepaalde onder d , mag een bestaand olietankschip verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte op zee onder de waterlijn lozen mits: 1°. een deel van het te lozen water door een vaste leiding wordt geleid naar een gemakkelijk bereikbare plaats op het bovendek of daarboven, alwaar de lozing visueel kan worden gecontroleerd; en
2°. deze voorzieningen van lozen voldoen aan nadere door de inspecteur-generaal te geven voorschriften.
1°. een deel van het te lozen water door een vaste leiding wordt geleid naar een gemakkelijk bereikbare plaats op het bovendek of daarboven, alwaar de lozing visueel kan worden gecontroleerd; en
2°. deze voorzieningen van lozen voldoen aan nadere door de inspecteur-generaal te geven voorschriften.
2. a. Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen van ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte van het schip, zoals toegestaan krachtens artikel 9 of 10, te zijn geleid naar het open dek, of naar de zijde van het schip boven de waterlijn, behorende bij de ballasttoestand met de grootste diepgang.
b. Voor lozingen toegestaan krachtens het bepaalde in het zesde lid kan een afwijkend systeem worden aanvaard, zulks naar het oordeel van de inspecteur-generaal.
3. a. Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te zijn getroffen voor het stoppen van de lozing van ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte van het schip, vanaf een zodanige plaats op het bovendek of hoger, dat de in gebruik zijnde losaansluiting, bedoeld in het eerste lid, en de lozing in zee uit de pijpleidingen, bedoeld in het tweede lid, onder a, vanaf die plaats met het oog waarneembaar zijn.
b. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien is voorzien in een goed werkende radio- of telefoonverbinding tussen de waarnemingsplaats en de plaats waar de lozing kan worden gestopt.
4. Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks of dat moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de volgende bepalingen:
a. het schip moet zijn uitgerust met ladingleidingen welke zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt beperkt; en
b. voorzieningen moeten zijn getroffen voor het aftappen van alle ladingpompen en alle ladingleidingen na het lossen, zonodig door aansluiting op een nazuigsysteem. De afgetapte olie moet zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank kunnen worden overgebracht. Voor afgifte aan de wal moet een afzonderlijke leiding met een kleine diameter zijn aangebracht. Deze leiding dient te zijn aangesloten op de losaansluiting buiten de hoofdafsluiters.
5. Elk bestaand ruwe olietankschip dat dient te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks of de methode van aangewezen schone ballasttanks gebruikt dan wel dient te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, onder b.
6. Aan boord van olietankschepen dient ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte boven de waterlijn te worden geloosd behalve in de volgende gevallen:
a. gescheiden en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd: 1°. in havens; of
2°. op zee door het laten aflopen van de tanks; mits een onderzoek van de oppervlakte van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden;
1°. in havens; of
2°. op zee door het laten aflopen van de tanks; mits een onderzoek van de oppervlakte van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden;
b. bestaande olietankschepen welke zonder verbouwing niet in staat zijn gescheiden ballastwater boven de waterlijn te lozen, mogen dergelijk ballastwater op zee onder de waterlijn lozen mits een onderzoek van de oppervlakte van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden;
c. bestaande olietankschepen welke gebruik maken van aangewezen schone ballasttanks en zonder verbouwing niet in staat zijn ballastwater uit deze tanks boven de waterlijn te lozen, mogen dergelijk ballastwater onder de waterlijn lozen mits de lozing wordt gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 A, derde lid;
d. olietankschepen mogen verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van de ladingtanks, uitgezonderd de sloptanks, op zee onder de waterlijn lozen door het laten aflopen van de tank mits: 1°. er voldoende tijd is verstreken zodat scheiding van olie en water heeft plaatsgevonden; en
2°. het ballastwater is onderzocht onmiddellijk voorafgaand aan de lozing met apparatuur voor het vaststellen van het oliewater scheidingsvlak, bedoeld in artikel 15, eerste lid onder d, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico met zich meebrengt voor het mariene milieu.
1°. er voldoende tijd is verstreken zodat scheiding van olie en water heeft plaatsgevonden; en
2°. het ballastwater is onderzocht onmiddellijk voorafgaand aan de lozing met apparatuur voor het vaststellen van het oliewater scheidingsvlak, bedoeld in artikel 15, eerste lid onder d, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico met zich meebrengt voor het mariene milieu.
e. In afwijking van het bepaalde onder d , mag een bestaand olietankschip verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte op zee onder de waterlijn lozen mits: 1°. een deel van het te lozen water door een vaste leiding wordt geleid naar een gemakkelijk bereikbare plaats op het bovendek of daarboven, alwaar de lozing visueel kan worden gecontroleerd; en
2°. deze voorzieningen van lozen voldoen aan nadere door de inspecteur-generaal te geven voorschriften.
1°. een deel van het te lozen water door een vaste leiding wordt geleid naar een gemakkelijk bereikbare plaats op het bovendek of daarboven, alwaar de lozing visueel kan worden gecontroleerd; en
2°. deze voorzieningen van lozen voldoen aan nadere door de inspecteur-generaal te geven voorschriften.