BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 17
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. In afwijking van artikel 42, eerste en tweede lid, en artikel 49 van de nieuwe Werkloosheidswetis de uitkeringsduur voor de persoon, bedoeld in artikel 4en artikel 5, vierde lid, die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan: een half jaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar.
2. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ben c, wordt de uitkeringsduur verlengd met een half jaar, indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswetof de Wet Werkloosheidsvoorzieningin een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan.
3. Perioden waarin de persoon, bedoeld in artikel 4:
a. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. voor of vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d, voor of vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
4. Tijdens de duur op grond van dit artikel is artikel 34, vierde en vijfde lid, van de nieuwe Werkloosheidswetniet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel 34, zesde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, tijdens de duur op grond van dit artikel, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep, waaruit hij werkloos is.
5. Artikel 42, vierde tot en met negende lid, van de nieuwe Werkloosheidswetis van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
6. De artikelen 43en 76 van de nieuwe Werkloosheidswetzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste en het tweede lid.
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan: een half jaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar.
2. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ben c, wordt de uitkeringsduur verlengd met een half jaar, indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswetof de Wet Werkloosheidsvoorzieningin een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan.
3. Perioden waarin de persoon, bedoeld in artikel 4:
a. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. voor of vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. voor de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d, voor of vanaf de dag, waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
4. Tijdens de duur op grond van dit artikel is artikel 34, vierde en vijfde lid, van de nieuwe Werkloosheidswetniet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel 34, zesde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, tijdens de duur op grond van dit artikel, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep, waaruit hij werkloos is.
5. Artikel 42, vierde tot en met negende lid, van de nieuwe Werkloosheidswetis van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid.
6. De artikelen 43en 76 van de nieuwe Werkloosheidswetzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste en het tweede lid.