BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 7
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. De persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswetof hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorzieningen op de eerste dag van werkloosheid 47,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 17of bedoeld in de Wet Werkloosheidsvoorziening, recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, sub 2° en 3°, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
2. De persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, recht had op uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de Wet Werkloosheidsvoorziening, heeft met ingang van de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, sub 2° en 3°, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
3. Artikel 4, tweede lid, en artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswetof vanaf het bereiken van de leeftijd van 48 jaar op grond van Hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorzieningzou hebben gehad.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, geen recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de Wet Werkloosheidsvoorziening, omdat dat recht is onderbroken door werkaanvaarding of een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, tweede lid, doch die na afloop van die onderbreking recht zou hebben gehad op deze uitkering, indien dat hoofdstuk niet zou zijn vervallen.
2. De persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, recht had op uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de Wet Werkloosheidsvoorziening, heeft met ingang van de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, sub 2° en 3°, van laatstgenoemde wet wordt verhinderd.
3. Artikel 4, tweede lid, en artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswetof vanaf het bereiken van de leeftijd van 48 jaar op grond van Hoofdstuk III van de Wet Werkloosheidsvoorzieningzou hebben gehad.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, geen recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de Wet Werkloosheidsvoorziening, omdat dat recht is onderbroken door werkaanvaarding of een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, tweede lid, doch die na afloop van die onderbreking recht zou hebben gehad op deze uitkering, indien dat hoofdstuk niet zou zijn vervallen.