BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 24
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. De persoon die 21 jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwetniet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering op grond van de Werkloosheidswetof de nieuwe Werkloosheidswetdie bij de aanvang van de werkloosheid is berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswetof hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswet, indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan f 47,96, f 55,77 onderscheidenlijk f 65,50. per 1 juli 2007: € € 30,05, € 35,71, onderscheidenlijk € 46,53.
2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond van de Werkloosheidswetof hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswetdan wel, indien tegelijkertijd recht bestaat op meerdere uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, het totaalbedrag van die uitkeringen, doch ten hoogste het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstandworden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond van de Werkloosheidswetof hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswetdan wel, indien tegelijkertijd recht bestaat op meerdere uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, het totaalbedrag van die uitkeringen, doch ten hoogste het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstandworden herzien, waarna de herziene bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.