BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 4
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. De Werkloosheidsweten de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswethad, zo lang hij niet de maximum uitkeringsduur op grond van die wet heeft bereikt.
2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt, zolang voor hem geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswetis ontstaan, gelijkgesteld, de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, geen recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswethad, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of omdat artikel 31, eerste en tweede lid, zo nodig in verbinding met artikel 39 van die wet op hem van toepassing was;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel aof b, niet meer op hem van toepassing is vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet zou hebben gehad, indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
3. De Werkloosheidswetblijft van toepassing ten aanzien van de persoon:
a. wiens werkgever op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, in staat van faillissement was verklaard, surséance van betaling was verleend of in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel 42a, tweede lid, van de Werkloosheidswet en die in verband daarmee recht had op een betaling op grond van hoofdstuk IIIa van laatstgenoemde wet;
b. die op de dag, voorafgaand aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op loonsuppletie op grond van hoofdstuk IIIb van de Werkloosheidswet;
voor de duur van de betaling of de duur van de loonsuppletie.
4. Zolang de Werkloosheidswetop hem van toepassing blijft, wordt de uitkering van de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon, wiens uitkering niet is berekend naar het minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a van die wet, voor de toepassing van de Toeslagenwetbeschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
5. In afwijking van het eerste lid is artikel 26 van de Werkloosheidswetniet van toepassing op de uitkering van de in het eerste, het tweede of het derde lid bedoelde persoon. In dat geval wordt deze persoon voor de toepassing van de Ziektewet( Stb.1967, 473) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ( Stb.1977, 492) als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswetbeschouwd, wordt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als werkgever beschouwd en wordt deze uitkering voor de toepassing van artikel 3a, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering( Stb.1966, 64) als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswetaangemerkt.
6. In aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in het eerste lid, heeft de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, tenzij die wet of deze wet dat verhindert.
2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt, zolang voor hem geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswetis ontstaan, gelijkgesteld, de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, geen recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswethad, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of omdat artikel 31, eerste en tweede lid, zo nodig in verbinding met artikel 39 van die wet op hem van toepassing was;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel aof b, niet meer op hem van toepassing is vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet zou hebben gehad, indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
3. De Werkloosheidswetblijft van toepassing ten aanzien van de persoon:
a. wiens werkgever op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, in staat van faillissement was verklaard, surséance van betaling was verleend of in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel 42a, tweede lid, van de Werkloosheidswet en die in verband daarmee recht had op een betaling op grond van hoofdstuk IIIa van laatstgenoemde wet;
b. die op de dag, voorafgaand aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op loonsuppletie op grond van hoofdstuk IIIb van de Werkloosheidswet;
voor de duur van de betaling of de duur van de loonsuppletie.
4. Zolang de Werkloosheidswetop hem van toepassing blijft, wordt de uitkering van de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon, wiens uitkering niet is berekend naar het minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a van die wet, voor de toepassing van de Toeslagenwetbeschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
5. In afwijking van het eerste lid is artikel 26 van de Werkloosheidswetniet van toepassing op de uitkering van de in het eerste, het tweede of het derde lid bedoelde persoon. In dat geval wordt deze persoon voor de toepassing van de Ziektewet( Stb.1967, 473) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ( Stb.1977, 492) als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswetbeschouwd, wordt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als werkgever beschouwd en wordt deze uitkering voor de toepassing van artikel 3a, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering( Stb.1966, 64) als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswetaangemerkt.
6. In aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in het eerste lid, heeft de in het eerste of tweede lid bedoelde persoon recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet, tenzij die wet of deze wet dat verhindert.