Aanwijzingen voor de regelgeving
Hoofdstuk 1
Toepassingsbereik
Artikel 1.2
2. Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving niet tot aanvaardbare resultaten zou leiden.
Artikel 1.3
a. algemeen verbindende voorschriften;
b. interne regels;
c. beleidsregels.
2. Onder EU-regelgeving wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde:
a. verordeningen;
b. richtlijnen.
3. Onder bindende EU-rechtshandelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde:
a. verordeningen;
b. richtlijnen;
c. besluiten zonder vermelding van adressaten;
d. besluiten met vermelding van adressaten, voor zover mede tot Nederland gericht.
Hoofdstuk 2
Algemene onderwerpen van regelgeving
§ 2.1
Uitgangspunten voor het gebruik van regelgeving als instrument
Artikel 2.1
Artikel 2.2
Artikel 2.3
a. kennis wordt vergaard over de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp;
b. de doelen die moeten worden bereikt, worden zo concreet en nauwkeurig mogelijk vastgesteld;
c. onderzocht wordt of de doelen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren, of dat daarvoor overheidsinterventie noodzakelijk is;
d. indien overheidsinterventie noodzakelijk is, wordt onderzocht of de gekozen doelen kunnen worden bereikt door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, welke nieuwe instrumenten kunnen worden ingezet om de doelen te bereiken;
e. de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.
Artikel 2.4
Artikel 2.5
Artikel 2.6
Artikel 2.7
2. Hierbij wordt onderzocht of handhaving het beste langs bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel op andere wijze kan plaatsvinden.
Artikel 2.8
a. het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, wordt tot een minimum beperkt;
b. ingeval bestuurlijke boetes mogelijk worden gemaakt, worden daarvoor bindende boetemaxima vastgesteld;
c. de aard en omvang van uitkeringen, voorzieningen en andere voordelen worden zo duidelijk mogelijk omschreven.
Artikel 2.9
Artikel 2.10
2. Tevens wordt rekening gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling.
3. Bij het ontwerpen van een regeling wordt mede rekening gehouden met de uitvoerbaarheid daarvan, in het bijzonder wat betreft de aanpassing of ontwikkeling van de voor de uitvoering vereiste ICT-systemen.
Artikel 2.11
2. Waar nodig voorziet een regeling in voldoende mogelijkheden om het bestuursorgaan in staat te stellen een besluit met onevenredige hardheid in een concreet geval te voorkomen.
Artikel 2.12
Artikel 2.13
Artikel 2.14
2. Met het oog hierop worden discretionaire bevoegdheden en bevoegdheden met vage toepassingscriteria niet toegekend, tenzij daarvoor goede gronden zijn.
Artikel 2.15
§ 2.2
Europees en Caribisch Nederland
Artikel 2.16
§ 2.3
Algemeen verbindende voorschriften
Artikel 2.17
Artikel 2.18
a. wet;
b. algemene maatregel van bestuur;
c. ministeriële regeling; of
d. regeling van een zelfstandig bestuursorgaan met inachtneming van aanwijzing 5.10.
Artikel 2.19
Artikel 2.20
2. Een in de Grondwetneergelegd verbod tot delegatie houdt in dat:
a. alle wezenlijke bepalingen ten aanzien van het betrokken onderwerp in de wet worden vastgelegd; en
b. in de wet niet wordt volstaan met het toekennen van algemene bestuursbevoegdheden waarvan de invulling geheel of grotendeels aan bestuursorganen wordt overgelaten.
Artikel 2.21
a. die de grondslag vormen voor een stelsel van vergunningen of een stelsel waarbij anderszins de toelaatbaarheid van handelingen afhankelijk wordt gesteld van toestemming van de overheid;
b. die andere overheden in medebewind roepen;
c. waarbij bestuursorganen in het leven worden geroepen;
d. betreffende rechtsbescherming;
e. inzake sancties van bestuursrechtelijke of civielrechtelijke aard;
f. waarbij toezichts- of opsporingsbevoegdheden worden toegekend;
g. omtrent rechten en verplichtingen van burgers jegens elkaar;
h. die beogen aan de burger procedurele waarborgen te bieden ten aanzien van het gebruik van bevoegdheden door de overheid.
Artikel 2.22
§ 2.4
Delegatie en mandaat van regelgevende bevoegdheid
Artikel 2.23
Artikel 2.24
2. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard.
Artikel 2.25
Artikel 2.26
2. Om subdelegatie door de regering mogelijk te maken wordt de formulering ‘ bij of krachtens algemene maatregel van [rijks]bestuur’ gebruikt.
Artikel 2.27
Artikel 2.28
2. Indien uit de delegerende regeling niet reeds voortvloeit welke minister bevoegd is, of indien een afwijkende bevoegdheidstoedeling is beoogd, wordt de formulering ‘ bij regeling van Onze Minister van/voor ...’ gebruikt.
3. Indien het wenselijk is te bepalen dat een ministeriële regeling onder verantwoordelijkheid van meer dan een bewindspersoon wordt vastgesteld, wordt daarvoor de formulering ‘ bij regeling van Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...’ gebruikt, tenzij ‘ Onze Minister’ in de delegerende regeling reeds is gedefinieerd als: ‘ Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...’.
Artikel 2.29
Artikel 2.30
Artikel 2.31
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het wenselijk is in de hogere regeling de mogelijkheid te creëren voor:
a. afwijkende regelingen die bij wijze van experiment worden ingevoerd;
b. afwijkende regelingen ten behoeve van noodsituaties.
Artikel 2.32
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het volgens vaste systematiek aanpassen van bedragen, tarieven en percentages;
b. wetstechnische aanpassingen van verwijzingen naar bindende EU-rechtshandelingen en verdragen of onderdelen daarvan.
3. In een delegatiebepaling waarin wijziging van een hogere regeling door een lagere regeling mogelijk wordt gemaakt, wordt, evenals in de lagere regeling, uitsluitend de term ‘wijzigen’ of ‘vervangen’ gebruikt.
Artikel 2.33
2. In uitzonderlijke situaties kan een algemene maatregel van bestuur reeds worden vastgesteld nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt door de Tweede Kamer is aanvaard.
3. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt het in aanwijzing 4.22, onder E, bedoelde model gebruikt.
4. Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een ministeriële regeling.
Artikel 2.34
§ 2.5
Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving
Artikel 2.35
Artikel 2.36
2. Voor gecontroleerde delegatie wordt het volgende model gebruikt:
De voordracht voor een krachtens artikel [...] vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 2.37
2. Voor voorwaardelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:
Een krachtens artikel [...] vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat [het onderwerp / de inwerkingtreding] van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 2.38
2. Indien het eerste lid niet in acht genomen kan worden, wordt dit bij de mededeling of overlegging uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
3. Indien bij een mededeling of overlegging als bedoeld in aanwijzing 2.36het eerste lid niet in acht kan worden genomen, wordt zo mogelijk een na het reces liggende datum genoemd vóór welke de Kamers hun zienswijze kenbaar kunnen maken.
4. Indien een verlenging als bedoeld in het derde lid naar het oordeel van de betrokken minister niet mogelijk is, wordt dat uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
Artikel 2.39
2. Voor tijdelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:
Na de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 2.40
2. Voor delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet wordt het volgende model gebruikt:
Na het tot stand komen van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel van wet tot goedkeuring van de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken.
§ 2.6
Experimentele regelgeving
Artikel 2.41
a. wat het oogmerk is van het experiment;
b. wat het bereik is van de experimenteerregeling;
c. van welke onderdelen van de hogere regeling kan worden afgeweken; en
d. wat de maximale geldingsduur is van de afwijking.
2. Van een wet in formele zin wordt slechts afgeweken bij algemene maatregel van bestuur, waarbij kan worden voorzien in subdelegatie.
3. In de experimenteerregeling wordt vermeld van welke onderdelen van de hogere regeling wordt afgeweken.
Artikel 2.42
2. Indien een experimenteerregeling een evaluatiebepaling bevat wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
Onze Minister [van/voor ...] zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] negen maanden voor het einde van de werkingsduur van [een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel .../ dit besluit] aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van [die maatregel / dit besluit] anders dan als experiment.
§ 2.7
Beleidsregels
Artikel 2.43
Artikel 2.44
§ 2.8
Harmonisatie
Artikel 2.45
2. Bij wijziging van een regeling wordt nagegaan welke wijzigingen uit een oogpunt van harmonisatie kunnen worden meegenomen.
Artikel 2.46
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanvullingen in bijzondere wetten op een regeling in een algemene wet die uitputtend is bedoeld.
Artikel 2.47
2. De termen adviseur, overtreding, bestuurlijke sanctie, herstelsanctie, bestraffende sanctieen goedkeuringworden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, zoveel mogelijk gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.
3. In bestuursrechtelijke regelingen die gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt aangesloten bij de terminologie van de Wet administratieve rechtspraak BES.
Artikel 2.48
2. In de overige gevallen wordt de term mededeling gebruikt.
Hoofdstuk 3
Aspecten van vormgeving
§ 3.1
Algemene terminologische punten
Artikel 3.1
Artikel 3.2
Artikel 3.3
2. Woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is, worden niet gebruikt.
Artikel 3.4
Artikel 3.5
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien:
a. de terminologie van de bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen niet voldoende is gepreciseerd;
b. daardoor beter wordt aangesloten bij elders in nationale regelingen gehanteerde terminologie; of
c. dit beter Nederlands oplevert.
Artikel 3.6
Artikel 3.7
2. Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.
Artikel 3.8
2. Combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen worden niet gebruikt.
Artikel 3.9
Artikel 3.10
2. Voor een weerlegbaar rechtsvermoeden wordt de formulering ‘ wordt/worden vermoed’ gebruikt.
Artikel 3.11
2. De uitdrukking ‘ voor zover’ wordt in een wettelijk voorschrift slechts gebruikt in de betekenis van ‘ in de mate dat’.
Artikel 3.12
Artikel 3.13
Artikel 3.14
Artikel 3.15
Indien het betreft de verkiezing van de leden van provinciale staten of de gemeenteraad, geschiedt de kennisgeving op de in de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, gebruikelijke wijze.
2. Het gebruik van de uitdrukking ‘ c.q.’ blijft achterwege.
Artikel 3.16
Artikel 3.17
Artikel 3.18
Artikel 3.19
2. Als bijvoeglijke aanduiding voor ministerie wordt de term ‘ departementaal’ gebruikt.
Artikel 3.20
2. In een regeling van het Koninkrijk of een regeling die (mede) in Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt het woord ‘ Nederland’ uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het grondgebied van het Europese deel van Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk.
3. Bij de aanduiding van het grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten gezamenlijk wordt het woord ‘ Koninkrijk’ gebruikt.
4. Het woord ‘ land’ wordt gebruikt ter aanduiding van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten als component van het Koninkrijk.
5. Het woord ‘ Rijk’ als aanduiding van Nederland of van het Koninkrijk wordt vermeden, indien over de betekenis daarvan onduidelijkheid kan bestaan.
Artikel 3.21
2. Voor de aanduiding van bedragen in de munteenheden van de Caribische delen van het Koninkrijk worden de volgende NEN/ISO-aanduidingen gebruikt:
a. Aruba (de Arubaanse florin): AWG;
b. Curaçao en Sint Maarten (de Nederlands-Antilliaanse gulden): ANG;
c. Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Amerikaanse dollar): USD.
Artikel 3.22
§ 3.2
Aanduiding van ministers en staatssecretarissen
Artikel 3.23
Artikel 3.24
2. Indien vermelding bij naam niet doelmatig is, kan de formulering ‘ Onze Minister[s] die het mede aangaat’ worden gebruikt.
Artikel 3.25
Artikel 3.26
2. In een regeling worden taken en bevoegdheden altijd aan een minister opgedragen, ook indien een staatssecretaris op het desbetreffende terrein als verantwoordelijk bewindspersoon fungeert.
§ 3.3
Aanhaling en verwijzing
Artikel 3.27
2. Verwijzing naar bepalingen die zelf een verwijzing inhouden en verwijzing naar latere bepalingen van de regeling worden bij voorkeur vermeden.
3. In een regeling wordt niet verwezen naar een met name genoemde lagere regeling.
4. Verwijzing binnen een artikel wordt zoveel mogelijk vermeden.
Artikel 3.28
2. Indien dit de duidelijkheid van de verwijzing vergroot, wordt de verwijzing naar een artikel verbijzonderd tot een verwijzing naar een onderdeel van het artikel.
Artikel 3.29
2. Naar het voorafgaande artikel of lid van een artikel wordt verwezen door vermelding van het nummer van dat artikel of lid.
3. Verwijzing naar een onderdeel van een opsomming geschiedt met behulp van de aanduidingen ‘ onder’ of ‘ onderdeel’. Verwijzing naar een verdere onderverdeling geschiedt met een combinatie van deze aanduidingen of met behulp van de aanduiding ‘ subonderdeel’.
4. Indien de aard van een verwijzing dit noodzakelijk maakt, wordt bij verwijzing naar een onderdeel van een opsomming mede verwezen naar de aanhef van de opsomming.
Artikel 3.30
2. Indien een zinsnede wordt aangehaald door vermelding van de volledige tekst of van het begin en einde daarvan, kan de aanduiding ‘zinsnede’ worden weggelaten.
Artikel 3.31
2. Met de aanduiding ‘ bedoeld’ wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die in algemene of omschrijvende zin worden aangeduid.
3. De aanduiding ‘ als bedoeld’ wordt gebruikt indien het voorafgaande begrip een onbepaald lidwoord of geen lidwoord heeft.
Artikel 3.32
2. De uitdrukking ‘ is van overeenkomstige toepassing’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe te passen tekst uitgesloten is.
3. De uitdrukking ‘ is van [overeenkomstige] toepassing, met dien verstande dat ...’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, gedeeltelijk of met wijziging van bepaalde onderdelen moet worden toegepast.
Artikel 3.33
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling.
Artikel 3.34
Artikel 3.35
Artikel 3.36
Artikel 3.37
Artikel 3.38
het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (Trb. 1957, 121).
2. Bij verdragen met een citeertitel of daarmee vergelijkbare aanduiding kunnen datum en plaats van totstandkoming en het nummer van het Tractatenblad worden weggelaten.
Artikel 3.39
− artikel 6 VEU;
− artikel 18 VWEU;
− artikel 150 VEGA;
− artikel 6 EVRM;
− artikel 17 IVBPR.
Artikel 3.40
− het Europees Parlement;
− de Europese Raad;
− de Raad van de Europese Unie;
− de Europese Commissie;
− het Hof van Justitie van de Europese Unie;
− de Europese Centrale Bank;
− de Europese Rekenkamer;
− het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
− het Verdrag betreffende de Europese Unie;
− het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
− EU-verordeningen, EU-richtlijnen, EU-besluiten;
− bindende EU-rechtshandelingen, EU-rechtshandelingen, EU-regelgeving;
− Euratom-verordeningen, Euratom-richtlijnen, Euratom-besluiten;
− lidstaten van de Europese Unie;
− gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
Artikel 3.41
− de lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
− de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;
− Zwitserland.
Artikel 3.42
2. Indien vermelding van de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie wenselijk wordt geacht, geschiedt dat op de wijze zoals in aanwijzing 3.46beschreven.
Artikel 3.43
− Kamerstukken II 2009/10, 27858, nr. 88, p. 3;
− Kamerstukken I 2008/09, 31700 VI, D, p. 4;
− Handelingen II 2007/08, nr. 108, p. 7909–7943 (tot en met 31 december 2010);
− Handelingen II 2010/11, nr. 108, item 5, p. 25–36 (vanaf 1 januari 2011);
− Aanhangsel Handelingen I 2014/15, nr. 12.
2. Verwijzing naar een wetsvoorstel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:
− het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Meststoffenwet (differentiatie fosfaatgebruiksnorm) (Kamerstukken 31945);
− het bij geleidende brief van 13 september 2016 aanhangig gemaakte voorstel van wet van de leden Siderius en Van Meenen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs ter bevordering van kleinere klassen in het basisonderwijs (Kamerstukken 34538).
Artikel 3.44
HR 7 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7440.
Artikel 3.45
– Stb. 2011, 35;
– Stcrt. 2015, 10247;
– Trb. 2008, 175.
2. Indien de regeling waarnaar wordt verwezen nog niet in het Staatsblad, de Staatscourant of het Tractatenblad is bekendgemaakt, wordt de vindplaats in ontwerpen van die regeling aangeduid door aanduiding van het jaartal en nummer van het publicatieblad met puntjes, overeenkomstig het volgende voorbeeld: Stb. ..., ....
3. Het invullen van het jaartal en nummer van het desbetreffende publicatieblad geschiedt door het betrokken ministerie, uiterlijk bij de bekendmaking van de regeling.
Artikel 3.46
Artikel 3.47
2. Indien een regeling verwijst naar normen die niet publiekrechtelijk van aard zijn, geschiedt de verwijzing in beginsel naar die normen zoals zij op een gegeven tijdstip luidden. Omvat de verwijzing mede latere wijzigingen, dan wordt tevens voorzien in mededeling van deze wijzigingen in de Staatscourant.
Artikel 3.48
Artikel 3.49
Artikel 3.50
2. Een verwijzing naar informatie op internet voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de verwijzing heeft betrekking op informatie die is neergelegd in een welomlijnd en zelfstandig benoemd informatieobject;
b. het informatieobject wordt rechtstreeks en in de vorm van een volledig uitgeschreven internetadres aangewezen door de verwijzing;
c. het informatieobject is tijdig en permanent beschikbaar op de met de verwijzing aangeduide locatie;
d. het informatieobject is leesbaar zonder dat bijzondere beperkingen gelden voortvloeiend uit het formaat waarin de informatie wordt aangeboden;
e. de authenticiteit van het aangeboden informatieobject is voldoende geborgd.
Artikel 3.51
2. De vertaling wordt in de Staatscourant geplaatst. Indien de vertaalde normen slechts van belang zijn voor een kleine groep personen of de kenbaarheid van de vertaling op een andere wijze voldoende is verzekerd voor alle belanghebbenden, kan de vertaling worden gepubliceerd door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium. Van deze wijze van publicatie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op normen die worden vertaald krachtens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing in geval bij wet is bepaald dat een overtreding van een voorschrift als strafbaar feit wordt aangemerkt dan wel wordt bestraft met een bestuurlijke sanctie, indien dit voorschrift in de Engelse taal is gesteld en bekendgemaakt.
§ 3.4
Gebruik van hoofdletters
Artikel 3.52
2. Het gebruik van hoofdletters in de Grondweten in basisregelingen wordt zoveel mogelijk gevolgd of als uitgangspunt genomen bij de schrijfwijze van daarin gebezigde uitdrukkingen of vastgestelde benamingen.
3. Bij nieuwe benamingen wordt in beginsel alleen het eerste woord met een hoofdletter geschreven.
4. Aanduidingen van afzonderlijke ministers en ministeries, als eigennaam gebruikt, worden met een hoofdletter geschreven.
§ 3.5
Indeling van regelingen
Artikel 3.53
a. opschrift;
b. aanhef;
c. lichaam;
d. slotformulier;
e. ondertekening;
f. eventuele bijlagen.
Artikel 3.54
2. De artikelen worden doorlopend genummerd met Arabische cijfers. In een omvangrijke regeling kunnen de artikelen per hoofdstuk worden genummerd, onder vermelding van het hoofdstuknummer voor het artikelnummer.
3. Bestaat een regeling uit één artikel, dan wordt daarboven de aanduiding ‘ Enig artikel’ geplaatst.
Artikel 3.55
a. bepaling inzake evaluatie;
b. bepaling inzake overgangsrecht;
c. bepaling over intrekking van een regeling;
d. bepaling inzake publicatie van de integrale tekst van een regeling;
e. bepaling inzake inwerkingtreding;
f. bepaling tot vaststelling van een citeertitel.
Artikel 3.56
2. Bij een verdeling op één niveau worden de onderdelen ‘ hoofdstuk’ of ‘ paragraaf’ genoemd.
3. Bij een verdeling op twee niveaus worden de onderdelen van het eerste niveau ‘ hoofdstuk’ en de onderdelen van het tweede niveau ‘ paragraaf’ genoemd.
4. Bij een verdeling op meer dan twee niveaus worden de onderdelen in volgorde van omvang ‘ deel’, ‘ hoofdstuk’, ‘ titel’, ‘ afdeling’ en ‘ paragraaf’ genoemd, met dien verstande dat in ieder geval de aanduidingen ‘ hoofdstuk’ en ‘ paragraaf’ worden gebruikt.
Artikel 3.57
2. Artikelen kunnen van een opschrift worden voorzien.
Artikel 3.58
2. Een lid wordt niet verdeeld in alinea's.
3. Indien de inhoud van een artikel zou leiden tot een groot aantal leden, wordt het artikel zo mogelijk gesplitst in meer artikelen.
Artikel 3.59
a. de onderdelen worden aangegeven met de letters a, b, c enzovoort, een eventuele verdere onderverdeling met 1°, 2°, 3° enzovoort, waarbij achter deze letters en cijfers een punt wordt geplaatst;
b. binnen de onderdelen wordt niet met een nieuwe zin begonnen;
c. de onderdelen worden, met uitzondering van het laatste onderdeel, afgesloten met een puntkomma.
2. Na het laatste onderdeel van een opsomming wordt geen tekst opgenomen die betrekking heeft op alle onderdelen, tenzij dit onvermijdelijk is.
3. In een opsomming van begripsbepalingen wordt bij voorkeur een alfabetische volgorde zonder nummering of lettering gehanteerd.
Artikel 3.60
2. Uit de formulering van het artikel blijkt of een opsomming een limitatief of een enuntiatief karakter heeft.
Artikel 3.61
Artikel 3.62
2. Indien dit voor de toegankelijkheid van een bijlage van belang is, wordt in het opschrift de inhoud van de bijlage beknopt aangeduid.
Artikel 3.63
Artikel 3.64
Hoofdstuk 4
Algemene bestanddelen van regelingen
§ 4.1
Opschrift
Artikel 4.1
Artikel 4.2
a. bij een (rijks)wet: Rijkswet / Wet van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];
b. bij een algemene maatregel van (rijks)bestuur: Besluit van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];
c. bij een ministeriële regeling: Regeling van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];
d. bij een beleidsregel: Beleidsregel van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] over / tot [aanduiding inhoud].
2. In een wetsvoorstel worden in het opschrift de woorden ‘ Rijkswet / Wet van (...) tot /, houdende’ niet opgenomen.
Artikel 4.3
2. Het opschrift wordt beknopt gehouden.
Artikel 4.4
Artikel 4.4a
Toelichting
De vermelding van het KetenID stelt de lezer in staat om via de Wetgevingskalender relevante informatie met betrekking tot het voorstel te vinden, zoals het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport. Het KetenID wordt ontleend aan het interdepartementale wetgevingsinformatiesysteem Kiwi, waarin de meeste regelgeving in wording is opgenomen vanaf de ontwerpfase. Informatie over deze regelgeving in wording wordt aangeboden op de Wetgevingskalender.
Ten behoeve van geautomatiseerde herkenning van dit kenmerk wordt het KetenID weergegeven in de vorm WGK[nnnnnn], waarbij een nummer van minder dan zes cijfers waar nodig van voorloopnullen wordt voorzien.
Voorbeelden
– Wet: Wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES in verband met het toekennen van preferentie aan de verschuldigde uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en in de kosten van levensonderhoud en studie van jong meerderjarigen (KetenID WGK012963)
– Algemene maatregel van bestuur: Besluit van [...], houdende regels ter uitvoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Uitvoeringsbesluit Wtza) (KetenID WGK008987) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg, van [...], kenmerk [...], gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
– Ministeriële regeling: Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [PM] 2022, nr. CZW/S&B/...., houdende nadere eisen en regels voor het verlenen van een toelating voor publieke en private identificatiemiddelen (Regeling nadere eisen identificatiemiddelen, authenticatiediensten en machtigingsdiensten Wdo) (KetenID WGK010753)
§ 4.2
Aanhef
Artikel 4.5
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [considerans];
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
2. Indien het een rijkswet betreft, luidt de laatste alinea:
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 4.6
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, gedaan in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...];
Gelet op ...;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. ...);
Gezien het nader rapport van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, uitgebracht in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...];
Hebben goedgevonden en verstaan:
2. In de aanhef van een algemene maatregel van rijksbestuur wordt gesproken van de ‘Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk’ en wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
3. Voor de aanhef van een koninklijk besluit, niet zijnde een koninklijk besluit van regelende aard, wordt het volgende model gebruikt:
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...;
Gelet op ...;
Hebben goedgevonden en verstaan:
4. In de aanhef van een koninklijk rijksbesluit, niet zijnde een algemene maatregel van rijksbestuur, wordt niet naar het Statuut verwezen, tenzij de raad van ministers van het Koninkrijk ter zake heeft overlegd. In dat geval wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:
Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Artikel 4.7
2. Indien er bijzondere redenen zijn om te bepalen dat een wet of besluit wordt gecontrasigneerd door alle voordragende bewindspersonen geschiedt de voordracht door één van hen, mede namens de ander(en).
3. Indien er zeer bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen ook in de voordracht tot uitdrukking te brengen, wordt gebruik gemaakt van de volgende formulering:
Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] en [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...].
Artikel 4.8
De Minister van/voor .../ Staatssecretaris van ...,
[Handelende in overeenstemming met de Minister(s) van/voor... / Staatssecretaris(sen) van ... / in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad];
Gelet op ...;
Besluit:
Artikel 4.9
De Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...,
Gelet op ...;
Besluit:
Artikel 4.10
2. Verwezen wordt naar de afzonderlijke artikelen van de hogere regeling, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.
§ 4.3
Considerans
Artikel 4.11
2. In een andere regeling wordt geen considerans opgenomen.
Artikel 4.12
2. In de considerans worden geen elementen opgenomen die niet in het lichaam van de wet zelf voorkomen.
Artikel 4.13
§ 4.4
Inwerkingtreding
Artikel 4.14
2. Bij de vaststelling van het moment van inwerkingtreding wordt geen onderscheid gemaakt tussen categorieën van gevallen waarop de regeling toepasselijk wordt.
Artikel 4.15
2. Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling wordt niet afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van een verdrag of van een andere niet uit het Staatsblad of de Staatscourant blijkende gebeurtenis.
Artikel 4.16
2. De datum van bekendmaking van een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur ligt in ieder geval vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur.
Artikel 4.17
2. Een ministeriële regeling treedt in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor regelingen over het onderwijs de volgende vaste verandermomenten:
a. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari en 1 augustus;
b. voor ministeriële regelingen betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari, 1 april, 1 augustus en 1 oktober;
c. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het hoger onderwijs: 1 januari en 1 september;
d. voor ministeriële regelingen betreffende het hoger onderwijs: 1 januari, 1 april, 1 september en 1 oktober.
4. De termijn tussen de publicatiedatum van een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Indien een regeling direct relevant is voor medeoverheden, is deze termijn minimaal drie maanden.
5. Uitzondering op de vaste verandermomenten of de minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover:
a. dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt;
b. het spoed- of noodregelgeving betreft;
c. het reparatieregelgeving betreft; of
d. het implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, verdragen of andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties betreft.
6. De toepassing van een uitzonderingsgrond wordt gemotiveerd in de toelichting bij de regeling of in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit.
Artikel 4.18
Artikel 4.19
Artikel 4.20
Artikel 4.21
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur wordt een van de volgende modellen gebruikt:
A. Dit besluit treedt in werking met ingang van ...
B. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
3. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:
Deze regeling treedt in werking met ingang van ...
4. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ...
Artikel 4.22
A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ..., met uitzondering van de artikelen ..., die in werking treden met ingang van ... .
B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop de artikelen ... in werking treden.
C. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
D. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel ... van] [citeertitel of aanduiding andere regeling] in werking treedt.
E. Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, treedt deze wet / dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
F. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag van de ... kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.
G. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.
H. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van [beoogde datum van inwerkingtreding]. Indien het Staatsblad / de Staatscourant waarin deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt geplaatst, wordt uitgegeven na [de dag voor de beoogde datum van inwerkingtreding], treedt zij/het/zij/hij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/ zij/hij wordt geplaatst, en werkt zij/het/zij/hij terug tot en met [beoogde datum van inwerkingtreding].
Artikel 4.23
§ 4.5
Citeertitel
Artikel 4.24
2. Een wijzigingsregeling heeft slechts een citeertitel indien daaraan behoefte bestaat.
3. Indien naar verwachting de behoefte zal bestaan een regeling veelvuldig met een afkorting aan te halen, wordt in de toelichting bij de regeling een aanbeveling gegeven voor de te gebruiken afkorting.
Artikel 4.25
2. Voor de bepaling tot vaststelling van de citeertitel wordt het volgende model gebruikt:
Deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt aangehaald als: ...
3. In beginsel wordt slechts het eerste woord van een citeertitel met een hoofdletter geschreven.
4. In een citeertitel wordt alleen een jaartal opgenomen indien daartoe behoefte bestaat ter onderscheiding van de betrokken regeling van een andere regeling. In dat geval kan in een wet of een algemene maatregel van bestuur de formulering ‘ met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin [zij/het] zal worden geplaatst’ worden gebruikt.
5. In de citeertitel van een rijkswet, een algemene maatregel van rijksbestuur of een ministeriële regeling over een koninkrijksaangelegenheid wordt tot uitdrukking gebracht dat het rijkswetgeving betreft.
6. In de citeertitel van een regeling die uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt door de toevoeging ‘BES’ tot uitdrukking gebracht dat het een regeling voor die eilanden betreft. Deze toevoeging blijft achterwege, indien de eilanden reeds voluit in de citeertitel worden genoemd.
§ 4.6
Bekendmaking
Artikel 4.26
2. Een regeling schrijft, behoudens in uitzonderlijke gevallen, niet voor dat op grond van de regeling genomen besluiten in het Staatsblad worden geplaatst.
Artikel 4.27
Artikel 4.28
a. de bijlage niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen daarmee voldoende verzekerd is.
Artikel 4.29
Artikel 4.30
§ 4.7
Slotformulier
Artikel 4.31
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2. Voor het slotformulier van een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.
3. Voor het slotformulier van een koninklijk (rijks)besluit van regelende aard, niet zijnde een algemene maatregel van bestuur, en van een koninklijk (rijks)besluit betreffende de inwerkingtreding van een (rijks)wet of een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt:
Onze Minister van/voor ... is belast met de uitvoering van dit besluit dat [met de daarbij behorende nota van toelichting] in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.
4. Voor het slotformulier van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] worden geplaatst.
5. Voor het slotformulier van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:
Deze beleidsregel zal [met de toelichting] in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 4.32
§ 4.8
Ondertekening
Artikel 4.33
2. Indien de uitvoering van de regeling geheel of in belangrijke mate geschiedt door ambtenaren die ressorteren onder een andere bewindspersoon dan de ondertekenaar of ondertekenaars krachtens het eerste lid, wordt medeondertekening door die andere bewindspersoon overwogen. Hetzelfde geldt indien de regeling deel gaat uitmaken van een regeling die onder een andere bewindspersoon ressorteert.
Artikel 4.34
2. Het niet ondertekenen van een wet door een bewindspersoon sluit niet uit dat die bewindspersoon als daartoe aanleiding is een of meer uitvoeringsregelingen (mede) ondertekent.
Artikel 4.35
Artikel 4.36
a. de Minister-President;
b. de in het bijzonder bij de zaak betrokken minister(s) of staatssecretaris(sen), naar de mate van hun betrokkenheid.
2. Bij gelijke mate van betrokkenheid is de volgorde van de hoofdstukken van de rijksbegroting bepalend.
3. De Vice-Minister-President wordt alleen als zodanig aangeduid indien hij ondertekent als vervanger van de Minister-President. Hij wordt dan als eerste vermeld.
Artikel 4.37
Artikel 4.38
Artikel 4.39
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur.
Artikel 4.40
2. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in de tekst tot uitdrukking gebracht.
Artikel 4.41
§ 4.9
Toelichting
Artikel 4.42
2. De toelichting bij een wetsvoorstel wordt aangeduid als ‘ memorie van toelichting’, de toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard als ‘ nota van toelichting’.
3. Een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt alleen van een nota van toelichting voorzien indien dit gelet op de inhoud ervan nodig is.
Artikel 4.43
a. de doelen die met de regeling worden nagestreefd of, in het geval van een implementatieregeling, de aanleiding en achtergronden van de te implementeren internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling;
b. de noodzaak tot overheidsinterventie, mede bezien in relatie tot het zelfregulerende vermogen in de betrokken sector of sectoren, alsmede de overwogen varianten en de te verwachten neveneffecten van de regeling;
c. de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de regeling, zoals de keuze van het handhavingsstelsel en de mate waarin te verwachten is dat de toepassing van de regeling aanleiding geeft tot conflicten;
d. de gevolgen voor de informatievoorziening van de rijksoverheid en voor de verwerking van persoonsgegevens;
e. de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen en de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan rechtsbescherming;
f. de wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling;
g. de verenigbaarheid met hoger recht en de verhouding tot andere regelingen;
h. de wijze waarop recht is gedaan aan het primaat van de wetgever, alsmede een motivering van de keuze van de overheidslaag waaraan bevoegdheden zijn toegedeeld;
i. de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de wijze waarop rekening is gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden waardoor die eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland;
j. het overgangsrecht en de inwerkingtreding van de regeling;
k. de inbreng van externe partijen bij de totstandkoming van de regeling, alsmede de bij de totstandkoming van de regeling voorgeschreven bijzondere procedures;
l. de voorgenomen evaluatie van de regeling;
m. overige aspecten van de regeling waarop kabinetsbeleid inzake regelgeving toepasselijk is.
Artikel 4.44
2. Indien voor de totstandkoming van een regeling een bijzondere procedure wettelijk is voorgeschreven, wordt aan het volgen daarvan in de toelichting aandacht geschonken.
3. Indien op hoofdpunten in een regeling wordt afgeweken van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt de reden hiervan in de toelichting weergegeven.
Artikel 4.45
2. In het in het eerste lid bedoelde overzicht wordt een onderscheid gemaakt tussen gevolgen voor het Rijk en gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren.
3. In de memorie van toelichting wordt tevens aangegeven of en zo ja, in hoeverre de financiële gevolgen begrepen zijn in de laatst ingediende begroting of in de ramingen voor de vier op het begrotingsjaar volgende jaren.
4. Indien op grond van compenserende maatregelen per saldo geen budgettair effect te verwachten valt, worden in de memorie van toelichting ook de bruto financiële gevolgen van een wetsvoorstel vermeld.
5. Indien een wetsvoorstel geen financiële gevolgen heeft, blijkt dit uitdrukkelijk uit de memorie van toelichting.
6. Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor het Rijk, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.
Artikel 4.46
2. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de in het eerste lid bedoelde financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.
3. Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.
Artikel 4.47
Artikel 4.48
2. Onderdelen van een toelichting worden genummerd, indien dit met het oog op verwijzing wenselijk is.
Artikel 4.49
2. Bij het formuleren van een nota van toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard, of een toelichting bij een ministeriële regeling of een beleidsregel wordt ervan uitgegaan dat de betrokken regeling al is vastgesteld.
3. De paragrafen 3.1, 3.3en 3.4van deze aanwijzingen zijn voor de formulering van een toelichting van overeenkomstige toepassing, voor zover zij verenigbaar zijn met de aard van een toelichting.
Artikel 4.50
– artikel 10, tweede lid, Wob;
– artikel 7, tweede lid, Sr;
– titel 5.2 Awb;
– artikel 21 Arbowet.
2. Indien in de toelichting gebruik wordt gemaakt van een afkorting of verkorte aanduiding voor het aanhalen van een regeling, wordt daarbij bij voorkeur het hoofdlettergebruik in de citeertitel van de aangehaalde regeling gevolgd.
Artikel 4.51
Artikel 4.52
2. Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging die aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt voorgelegd en een nota van toelichting worden ondertekend na de behandeling van het betrokken voorstel in de ministerraad en voordat het aan het Kabinet van de Koning wordt toegezonden voor advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.
Artikel 4.53
2. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.
Hoofdstuk 5
Bijzondere bestanddelen van regelingen
§ 5.1
Begripsbepalingen
Artikel 5.1
2. In een begripsbepaling wordt aan een term geen sterk van het normale spraakgebruik afwijkende betekenis gegeven.
3. Het gebruik van begripsbepalingen voor inhoudelijke normering wordt vermeden.
Artikel 5.2
Artikel 5.3
In [deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel] [en de daarop berustende bepalingen] wordt [, tenzij anders bepaald,] verstaan onder:
2. De term ‘ verstaan’ wordt gebruikt, indien een begrip in algemene zin wordt gedefinieerd.
3. De term ‘ mede verstaan’ wordt gebruikt, indien aan de, al dan niet gedefinieerde, betekenis van een begrip uitbreiding wordt gegeven.
4. In een begripsbepaling worden geen aanhalingstekens gebruikt.
§ 5.2
Caribisch Nederland
Artikel 5.4
2. De bepaling die de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt, wordt bij voorkeur in de inleidende bepalingen van de regeling opgenomen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een regeling van het Koninkrijk betreft of indien de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onmiskenbaar uit een ander wettelijk voorschrift volgt.
4. In een regeling die uitsluitend van toepassing is in het Europese deel van Nederland, behoeft geen bepaling te worden opgenomen die de werkingssfeer van de regeling uitdrukkelijk tot dat deel van Nederland beperkt.
Artikel 5.5
2. Het aparte hoofdstuk of de aparte paragraaf voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgenomen aan het einde van de regeling, voor de slotartikelen.
§ 5.3
Adviescolleges
Artikel 5.6
2. In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld, wordt gemotiveerd waarom de adviestaak niet aan een bestaand adviescollege wordt opgedragen.
Artikel 5.7
§ 5.4
Zelfstandige bestuursorganen
Artikel 5.8
Artikel 5.9
2. Het toekennen van openbaar gezag geschiedt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet.
3. Voor de verstrekking van subsidies kan met inachtneming van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrechtworden afgeweken van het tweede lid.
Artikel 5.10
a. voor zover het organisatorische of technische onderwerpen betreft; of
b. in bijzondere gevallen mits voorzien is in de bevoegdheid tot goedkeuring van de regeling door een minister.
2. Aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt geen adviestaak opgedragen ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.
Artikel 5.11
1. Er is een [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].
2. [naam rechtspersoon] is gevestigd te ... .
3. [naam rechtspersoon] bezit rechtspersoonlijkheid.
2. In de instellingswet wordt in dat geval, indien mogelijk, duidelijk onderscheid gemaakt tussen het zelfstandig bestuursorgaan en de rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt. Daarbij wordt het volgende model gebruikt:
1. Aan het hoofd van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] staat [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan].
2. [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan] heeft tot taak ... / de volgende taken: ...
3. In de instellingswet wordt in dat geval de wijze van bekostiging van de rechtspersoon geregeld.
Artikel 5.12
2. Indien het zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld omdat participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht ( artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), wordt in de instellingswet bepaald dat personen afkomstig van maatschappelijke organisaties in het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd. Zo mogelijk wordt daarbij bepaald dat voor elk lid een plaatsvervangend lid wordt benoemd.
Artikel 5.13
2. Aanwijzing 5.12, eerste lid, is op deze andere organen en nevenorganen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.14
Artikel 5.15
2. Hiervoor worden de volgende modellen gebruikt:
(Artikel ...)
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van [naam dienstonderdeel], van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel].
3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van [naam dienstonderdeel], en van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, zijn op dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel].
(Artikel ...)
1. Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan [naam dienstonderdeel] worden toegerekend, worden toebedeeld aan [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].
2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op [naam dienst] tegen een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
3. Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Artikel 5.16
2. Hiervoor wordt het volgende model gebruikt:
1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij [naam dienstonderdeel] is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, dan wel zelfstandig bestuursorgaan] in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister.
2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan [naam dienstonderdeel], treedt [naam zelfstandig bestuursorgaan] op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister.
§ 5.5
Toekenning en terminologie van bestuursbevoegdheden
Artikel 5.17
2. Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term ‘ ontheffing’ gebruikt.
3. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term ‘ vergunning’ gebruikt.
4. Voor een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling aan bepaalde eisen voldoet, wordt de term ‘ erkenning’ gebruikt.
Artikel 5.18
2. Voor de voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term ‘ verklaring van geen bezwaar’ gebruikt.
Artikel 5.19
Artikel 5.20
2. Voor dergelijke en andere bij het geven van een beschikking op te leggen verplichtingen wordt de term ‘ voorschriften’ gebruikt.
Artikel 5.21
2. De gronden voor het intrekken of wijzigen van een beschikking worden in de regeling gespecificeerd.
Artikel 5.22
Artikel 5.23
a. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, het vaststellen van de kaders van het beleid en het nemen van een besluit dat een sterke democratische legitimatie nodig heeft, in beginsel toegekend aan de gemeenteraad, provinciale staten of de eilandsraad;
b. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen of uitvoeren van beleid en het vaststellen van besluiten, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, in beginsel toegekend aan het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het bestuurscollege.
2. De termen ‘ gemeentebestuur’, ‘ provinciebestuur’ en ‘ eilandsbestuur’ worden vermeden. De term ‘ gemeente’ of ‘ provincie’ wordt uitsluitend gehanteerd als aanduiding van de rechtspersoon gemeente of provincie of het gebied van de gemeente of provincie.
3. De term ‘ openbare lichamen’ als aanduiding van de rechtspersonen openbaar lichaam Bonaire, openbaar lichaam Sint Eustatius of openbaar lichaam Saba of als aanduiding van het gebied van die openbare lichamen, wordt uitsluitend gebruikt, indien uit de regeling volgt dat de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoeld zijn.
Artikel 5.24
Artikel 5.25
2. Alvorens een hardheidsclausule op te nemen, wordt bezien of toepassing kan worden gegeven aan aanwijzing 2.11, tweede lid.
3. In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen voor situaties waarin het buiten toepassing laten of het afwijken van de regeling nadelige effecten heeft of in het algemeen kan hebben voor derden-belanghebbenden.
4. Indien de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, wordt dit bestendige beleid in een algemeen verbindend voorschrift neergelegd.
Artikel 5.26
2. Voor een hardheidsclausule wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
[aanduiding bestuursorgaan] kan artikel ... buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van [aanduiding doel of strekking van de regeling] zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
§ 5.6
Overgang van rechten krachtens publiekrecht
Artikel 5.27
§ 5.7
Regels betreffende goederen, keuringen en diensten
Artikel 5.28
2. Het eerste lid is niet van toepassing op regelingen die uitsluitend gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Voor een clausule van wederzijdse erkenning worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen:
(Goederen)
Met [aanduiding van de desbetreffende goederen] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld [desbetreffende goederen] die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
(Keuringen)
Met een [aanduiding van het desbetreffende document] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
(Diensten)
Met de beroepseisen ter zake van [aanduiding van de desbetreffende dienst] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Artikel 5.29
a. wordt slechts opgenomen indien dit geen discriminerende werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter, dit noodzakelijk is wegens een dwingende reden van algemeen belang, en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn;
b. wordt uitsluitend van de werking van paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van de belangen van derden.
2. Indien de conflictregel van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn en artikel 2, derde lid, onder a, sub 3, van de Dienstenwetop een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, wordt dit toegelicht.
3. Indien bij een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, wordt een selectieprocedure ingesteld die alle waarborgen voor transparantie en onpartijdigheid biedt voor gegadigden, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
Artikel 5.30
2. In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 15, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen opgenomen die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens een dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid.
§ 5.8
Informatievoorziening en gegevensverwerking
Artikel 5.31
Artikel 5.32
Artikel 5.33
Artikel 5.34
§ 5.8a
Openbaarheid van overheidsinformatie
Artikel 5.34a
2. Voor het wijzigen van de bijlage bij de Wet open overheidwordt het volgende voorbeeld als uitgangspunt gebruikt:
In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
– Waterschapswet: de artikelen 37 en 43.
§ 5.9
Toezicht op de naleving en opsporing
Artikel 5.35
2. De werkzaamheden ter vaststelling in concrete gevallen of een strafbaar feit is gepleegd op basis van een redelijk vermoeden dat dit het geval is, worden aangeduid als ‘ opsporing’ van die feiten.
Artikel 5.36
a. bij aanwijzing van toezichthouders bij de wet: Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast [aanduiding ambtenaren of andere personen].
b. bij aanwijzing van toezichthouders krachtens de wet: 1. Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast de bij besluit van [aanduiding bestuursorgaan] aangewezen [ambtenaren / personen].
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1. Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast de bij besluit van [aanduiding bestuursorgaan] aangewezen [ambtenaren / personen].
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 5.37
De toezichthouder beschikt niet over de [bevoegdheid / bevoegdheden], genoemd in [artikel / de artikelen ...] van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5.38
1. Met de opsporing van de bij [artikel / de artikelen ...] strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering / artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES], belast [aanduiding ambtenaren]. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in [de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht / de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht BES], voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Aan buitengewoon opsporingsambtenaren worden in beginsel naast de hun op grond van het Wetboek van Strafvorderingen de Wet op de economische delictentoekomende bevoegdheden geen bijzondere opsporingsbevoegdheden toegekend.
Artikel 5.39
De [omschrijving bevoegde personen] oefenen hun [omschrijving bevoegdheid] zo nodig uit met behulp van de sterke arm.
2. Indien het de bedoeling is taken of bevoegdheden slechts op te dragen aan ambtenaren van politie die executieve werkzaamheden verrichten, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
3. Indien het de bedoeling is ook andere ambtenaren van politie taken of bevoegdheden op te dragen, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie.
§ 5.10
Sancties
Artikel 5.40
Artikel 5.41
2. De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of schorsen van een beschikking bij wijze van sanctie, worden in de regeling gespecificeerd.
Artikel 5.42
[aanduiding bestuursorgaan] is bevoegd tot oplegging van een [last onder bestuursdwang / last onder dwangsom] ter handhaving van [aanduiding desbetreffende verplichtingen].
Artikel 5.43
2. Voor de bepaling waarin een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt vastgesteld, wordt het volgende model gebruikt:
De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de [...] categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES].
3. Indien het vanwege de afschrikkende werking of grote financiële belangen noodzakelijk is om aan ondernemingen een zeer hoge bestuurlijke boete te kunnen opleggen die aansluit bij de hoogste boetecategorie in het Wetboek van Strafrechtof die, indien dat meer is, gerelateerd is aan de omzet van de desbetreffende onderneming, wordt het volgende model gebruikt:
De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES] of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Artikel 5.44
Artikel 5.45
2. De geldboete die ten hoogste kan worden opgelegd, wordt aangegeven door het noemen van een van de geldboetecategorieën, vermeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onderscheidenlijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
3. Voor de strafbaarstelling van een feit dat niet alleen met een geldboete maar ook met een vrijheidsstraf wordt bedreigd, wordt het volgende model gebruikt:
Overtreding van artikel ... wordt gestraft met [gevangenisstraf / hechtenis] van ten hoogste [aantal maanden of jaren] of een geldboete van de ... categorie.
Artikel 5.46
A. De in artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
B. De [in / krachtens] artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 5.47
2. Bij aanwijzing van economische delicten worden de artikelen van de betrokken regeling waarvan overtreding een economisch delict oplevert, opgesomd. Zo nodig worden ook de afzonderlijke leden genoemd.
3. De aanwijzing van economische delicten wordt overeenkomstig het volgende voorbeeld geformuleerd:
In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de artikelen 2 en 5, tweede en vierde lid;.
4. Indien de Wet op de economische delictenwordt gewijzigd in verband met de wijziging van een regeling die reeds economische delicten bevat, wordt de wijziging overeenkomstig de volgende voorbeelden geformuleerd:
A. In artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Meststoffenwet ‘de artikelen 7, 14, eerste lid, 19, 20, eerste lid, 21, 22, derde lid, en 26, zesde lid;’ vervangen door ‘(...)’.
B. In artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet bodembescherming. De desbetreffende zinsnede wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.
§ 5.11
Bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Artikel 5.48
2. Naast de bestaande gerechten worden geen nieuwe organen met bestuursrechtspraak belast.
Artikel 5.49
a. rechtstreeks beroep;
b. geen beroep;
c. beroep in één instantie;
d. beroep bij een andere rechtbank dan volgens de regels over relatieve competentie;
e. hoger beroep bij een andere bestuursrechter dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
f. verlaagd griffierecht.
Artikel 5.50
Artikel 5.51
Artikel 5.52
A. In bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Wet tijdelijk huisverbod
B. In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht komt de zinsnede met betrekking tot de Telecommunicatiewet te luiden: Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid
C. In artikel 4 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Zeewet, met uitzondering van: a. artikel 5, voor zover het betreft een aanwijzing
b. artikel 6, voor zover het betreft: 1°. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing
2°. een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden
1°. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing
2°. een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden
a. artikel 5, voor zover het betreft een aanwijzing
b. artikel 6, voor zover het betreft: 1°. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing
2°. een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden
1°. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing
2°. een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden
D. In de artikelen 4 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
E. In de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt ‘Tabakswet’ en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Tabaks- en rookwarenwet
F. In artikel 9 van bijlage 2 en artikel 2 van bijlage 3 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet werk en bijstand en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: Participatiewet: de artikelen ...
Artikel 5.53
Artikel 5.54
a. sprake is van een niet in overwegende mate gebonden besluit, en
b. het belang van de eenheid van beleid of van sturing door een hoger bestuursorgaan op een beleidsterrein waarvoor dit orgaan medeverantwoordelijkheid draagt, niet afdoende door andere bestuursinstrumenten kan worden verzekerd.
2. Tegen besluiten van bestuursorganen wordt, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat, geen administratief beroep opengesteld bij een ander orgaan van hetzelfde openbare lichaam.
Artikel 5.55
De werking van het besluit wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
§ 5.12
Doorberekening van toelatings- en handhavingskosten
Artikel 5.56
Artikel 5.57
1. [Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van [de vergunning / de ontheffing / het diploma / de concessie etc.] en van de overige documenten die bij of krachtens deze wet worden afgegeven [, alsmede van duplicaten en gewaarmerkte afschriften van deze documenten], ten laste van de aanvrager van het document.
2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. Indien het wenselijk is kosten voor het verrichten van werkzaamheden en diensten door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
1. [Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel ... ten laste van degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht.
2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
3. Indien het wenselijk is bedragen in de wet op te nemen en vervolgens via indexering aan te passen, wordt in plaats van een tweede lid dat voorziet in vaststelling van de bedragen bij ministeriële regeling het volgende model als uitgangspunt genomen:
2. De bedragen ter vergoeding van de kosten zijn als volgt: ...
3. De bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de [naam index, bijvoorbeeld de consumentenprijsindex] daartoe aanleiding geeft.
§ 5.13
Evaluatiebepaling
Artikel 5.58
Onze Minister van/voor ... zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk [of nadere omlijning van aspecten of onderdelen van de wet].
§ 5.14
Overgangsrecht
Artikel 5.59
Artikel 5.60
Artikel 5.61
2. Indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, wordt dit uitdrukkelijk bepaald.
Artikel 5.62
2. Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling.
3. Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend.
4. Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.
Artikel 5.63
2. Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de volgende modellen gebruikt:
A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van ...; zie aanwijzing 4.21] en werkt [ten aanzien van artikel... / de artikelen...] terug tot en met...
B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat [artikel ... / de artikelen ... van] deze wet / dit besluit [terugwerkt / terugwerken] tot en met [... / een in dat besluit te bepalen tijdstip] [, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld].
3. Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde bepalingen opgenomen.
4. In de toelichting wordt vermeld om welke reden en tot en met welk tijdstip het verlenen van terugwerkende kracht noodzakelijk is of kan zijn.
Artikel 5.64
2. Bij het verlenen van eerbiedigende of uitgestelde werking of het toekennen van gelding aan door een eerdere regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen blijkt uit de regeling duidelijk welke rechtsgevolgen beoogd worden.
Artikel 5.65
Artikel 5.66
A. Archiefbescheiden van [overheidsorgaan A] betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan [overheidsorgaan B], voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
B. Archiefbescheiden van [voorheen bevoegde overheidsorgaan] met betrekking tot taken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn beëindigd, worden overgedragen aan Onze Minister [van/voor ...]. Indien zij ingevolge de Archiefwet 1995 voor blijvende bewaring in aanmerking komen worden zij, zo nodig door tussenkomst van Onze Minister [van/voor ...], overeenkomstig de Archiefwet 1995 overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
C. Onze Minister [van/voor ...] is met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zorgdrager voor de archiefbescheiden die door [voorheen bevoegde overheidsorgaan] ter beschikking zijn gesteld aan privaatrechtelijke rechtspersonen.
§ 5.15
Samenloop van wetsvoorstellen
Artikel 5.67
Artikel 5.68
Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel... van] die wet eerder in werking is getreden of treedt dan [artikel... van] deze wet, wordt [artikel... van] deze wet als volgt gewijzigd:....
2. Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft voor de formulering van een ander wetsvoorstel tot wijziging van diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....
3. Indien er tussen twee wetsvoorstellen tot wijziging van dezelfde wet een wederzijdse tekstuele afhankelijkheid bestaat, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet:
a. eerder in werking treedt of is getreden dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ...;
b. later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ... .
4. Indien een wetsvoorstel gevolgen heeft voor de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....
5. Indien de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, afhankelijk is van een ander wetsvoorstel, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:
Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ....
Artikel 5.69
2. In de drukproeffase wordt het symbool ‘#’ vervangen door de uiteindelijke aanduiding. De tussen blokhaken geplaatste tekst wordt daarbij geschrapt.
Artikel 5.70
a. de datum van vaststelling van de regeling;
b. indien de datum van vaststelling van beide regelingen dezelfde is: de datum van uitgifte van het Staatsblad of de Staatscourant;
c. indien de datum van vaststelling en de datum van uitgifte van beide regelingen dezelfde zijn: het volgnummer van het Staatsblad of de Staatscourant.
2. Voor het regelen van de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer wetten of algemene maatregelen van bestuur door middel van een inwerkingtredingsbesluit wordt een van de volgende modellen gebruikt:
A. Met ingang van [datum] treden de volgende [wetten/besluiten] in werking, in de hieronder aangegeven volgorde: a. (...);
b. (...).
a. (...);
b. (...).
B. Met ingang van [datum] treedt [wet/besluit] in werking, met dien verstande dat die wet/dat besluit in werking treedt voordat/nadat [wet/besluit] in werking treedt.
§ 5.16
Tijdelijke regelingen
Artikel 5.71
A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt [met ingang van ... / ... jaar na het tijdstip van inwerkingtreding].
B. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt op een bij [koninklijk besluit / door Onze Minister van/voor ... / door de Minister van/voor ...] te bepalen tijdstip.
2. De verlenging van een tijdelijke regeling geschiedt door een wijziging van de vervaldatum die in de regeling (in geval van toepassing van model A) of het koninklijk of ministerieel besluit (in geval van toepassing van model B) is opgenomen, en die uiterlijk met ingang van de oorspronkelijke datum in werking kan treden.
Artikel 5.72
Artikel 5.73
a. een zelfstandige afwijkende regeling met tijdelijke werking; of
b. een wijzigingsregeling die opeenvolgende wijzigingen aanbrengt in de tijdelijk te wijzigen regeling.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien mogelijk, de opvolgende wijziging opgenomen in de tijdelijk te wijzigen regeling zelf, en wordt daarin ook tot uitdrukking gebracht op welk tijdstip de opvolgende wijziging effect zal krijgen.
§ 5.17
Bijzondere vormen van geldingsmomenten en bekendmaking
Artikel 5.74
Toelichting
Met name in noodwetgeving komt het voor dat een regeling of regelingsonderdeel tijdelijk in of buiten werking gesteld moet kunnen worden. Het is niet wenselijk dat te regelen door middel van de inwerkingtreding daarvan. Van nog niet in werking getreden (onderdelen van) regelingen wordt in beginsel de tekst niet getoond in het Basiswettenbestand, terwijl bovendien onduidelijkheden optreden hoe zo’n regeling of regelingsonderdeel vervolgens weer gedeactiveerd moet worden en op een later moment weer in werking gesteld moet worden.
Voorbeeld
1. Indien de beperkte noodtoestand is afgekondigd, worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor Nederland of een gedeelte daarvan bepalingen in werking gesteld die voorkomen op de bij deze wet behorende lijst A.
2. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het in het eerste lid bedoelde besluit in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
( Artikel 7 van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)
Artikel 5.74a
2. Een wet kan bepalen dat een daarin aangewezen toepassingsmoment bij koninklijk besluit wordt vastgesteld.
Artikel 5.75
Toelichting
Deze aanwijzing ziet op de situatie dat in regelgeving de mogelijkheid wordt geboden om de bekendmaking van regelingen of besluiten in bijzondere omstandigheden, veelal met het oog op de snelheid daarvan, te laten plaatsvinden in een andere dan de gebruikelijke vorm of op een andere wijze of locatie. Daarbij valt te denken aan bekendmaking via de media in plaats van door plaatsing in de Staatscourant of het Staatsblad, door plaatsing van het besluit op een ander dan het gebruikelijke webadres, of door uitgifte in papieren vorm. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet dierenen artikel 3 van de Bekendmakingsregeling. Deze andere wijze van bekendmaken biedt veelal minder garanties over het behoud en de toegankelijkheid van deze bekendmaking op langere termijn. Daarom dient de bekendmaking van zo’n regeling of besluit gevolgd te worden door publicatie op de reguliere wijze. Omdat de eerste publicatie formeel geldt als moment van bekendmaking, dient de tweede publicatie de informatie daarover te vermelden.
Artikel 5.76
a. de bijlage wegens aard of omvang niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen op die wijze voldoende verzekerd is.
Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet: bekendmaking door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, bijvoorbeeld de website van (een dienstonderdeel van) de rijksoverheid.
De in aanwijzing 3.50, tweede lid, neergelegde eisen aan de vorm en locatie van bekendmaking zijn in zo’n geval overigens van toepassing.
Blijkens de wetsgeschiedenis moet deze uitzondering terughoudend worden toegepast. Uit de term ‘bijlage’ volgt dat het bij de toepassing van artikel 7 van de Bekendmakingswetniet kan gaan om het gehele algemeen verbindend voorschrift of de gehele beleidsregel. Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor het Staatsblad en de Staatscourant geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 218, nr. 3, p. 41). Om te bewaken dat artikel 7 terughoudend wordt toegepast, is in dat artikel de figuur opgenomen van de instemming door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Omdat de uitzondering in de bekend te maken publicatie dient te worden opgenomen, zal die instemming voorafgaand aan de vaststelling moeten worden verkregen. Bij wetten en algemene maatregelen van bestuur wordt de instemming van de ministerraad met het voorstel van wet onderscheidenlijk het ontwerpbesluit geacht de instemming in te houden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de publicatie door middel van het aangewezen andere algemeen toegankelijk elektronisch medium.
Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium, geschiedt door middel van een bepaling in het lichaam van de regeling zelf, en wordt naar die bepaling verwezen in het slotformulier: zie aanwijzing 4.32. Wanneer de in de regeling aangegeven locatie moet worden aangepast, bijvoorbeeld omdat het internetadres wordt gewijzigd, dient dat ook te leiden tot wijziging van het aangegeven adres in die regeling.
Hoofdstuk 6
Wijziging en intrekking van regelingen
§ 6.1
Algemene uitgangspunten
Artikel 6.1
2. Intrekking door een regeling van hogere orde komt alleen in aanmerking in de situatie, bedoeld in aanwijzing 6.24, tweede lid.
Artikel 6.2
2. Bij vervanging van een regeling door een nieuwe regeling wordt de oude regeling uitdrukkelijk ingetrokken.
Artikel 6.3
Artikel 6.4
a. de verschillende onderdelen samenhang hebben;
b. de verschillende onderdelen niet van een omvang en complexiteit zijn die een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigen; en
c. het op voorhand niet de verwachting is dat één van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt.
Artikel 6.5
a. in volgorde naar omvang of aard van de wijziging;
b. in alfabetische volgorde van de te wijzigen regelingen;
c. in volgorde naar het eerstverantwoordelijke ministerie waaronder de te wijzigen regelingen ressorteren.
Artikel 6.6
2. Indien een nieuwe regeling tevens strekt tot wijziging of intrekking van bestaande regelingen, worden ook de wijzigings- of intrekkingsbepalingen genummerd met Arabische cijfers.
3. In een omvangrijke aanpassings- of invoeringsregeling waarin regelingen van verschillende ministeries worden gewijzigd of ingetrokken, kan voor een andere nummering worden gekozen.
§ 6.2
Wijziging van regelingen
Artikel 6.7
Artikel 6.8
Na de inwerkingtreding van deze wet / dit besluit berust [betrokken uitvoeringsregeling] [mede] op artikel [de nieuwe delegatiebepaling] van deze wet / dit besluit.
2. Indien het wenselijk is dat niet in de hogere regeling, maar in de uitvoeringsregeling de nieuwe grondslag wordt vermeld, kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:
Dit besluit / Deze regeling berust [mede] op [artikel / de artikelen ...] van [delegerende wet / delegerend besluit].
3. Indien een regeling een nieuwe grondslag biedt aan een bestaande uitvoeringsregeling of indien een uitvoeringsregeling wordt gewijzigd met gebruikmaking van een nieuwe grondslag, wordt in de toelichting bij die regeling een overzicht opgenomen van de verschillende onderdelen van de integrale uitvoeringsregeling en de grondslagen waarop zij berusten.
Artikel 6.9
2. Bij de vervanging van woorden of zinsneden wordt zowel de te vervangen tekst als de nieuwe tekst tussen aanhalingstekens geplaatst.
3. Indien een artikel of onderdeel daarvan wordt vervangen, begint de nieuwe tekst met de aanduiding van het artikel of het onderdeel.
Artikel 6.10
Artikel 6.11
2. In een wijzigingsbepaling worden in of toe te voegen woorden en zinsneden tussen aanhalingstekens geplaatst.
Artikel 6.12
2. In een wijzigingsbepaling worden woorden of zinsneden die vervallen tussen aanhalingstekens geplaatst.
Artikel 6.13
Artikel 6.14
Artikel 6.15
2. Binnen een afzonderlijk artikel worden de verschillende wijzigingen van een regeling aangeduid met hoofdletters.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden de verschillende wijzigingen in een artikel van een regeling aangeduid met Arabische cijfers of kleine letters.
Artikel 6.16
2. Een eenmaal aangevangen wijze van nummering wordt voortgezet.
Artikel 6.17
2. De leden, onderdelen en subonderdelen van een artikel worden wel vernummerd of verletterd, tenzij daartegen overwegend bezwaar bestaat.
Artikel 6.18
A. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 2. (...)
2. (...)
B. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid.
2. Het wijzigen van de aanduiding van een artikelonderdeel of het invoegen of toevoegen van een artikelonderdeel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:
A. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot d tot en met g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: c. (...)
c. (...)
B. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: e. (...)
e. (...)
C. Onder vervanging van ‘; of’ aan het slot van onderdeel c door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door ‘; of’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: e. (...)
e. (...)
3. Het toevoegen van een of meer leden aan een artikel dat nog niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. (...)
2. (...)
4. Het wijzigen van een uit leden bestaand artikel tot een artikel dat niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:
Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.
Artikel 6.19
Artikel 6.20
Artikel 6.21
Artikel 6.22
2. In afwijking van het eerste lid kan een integrale tekst worden geplaatst, indien het gewenst is tevens tot vernummering van de gehele gewijzigde regeling over te gaan, of de tekst van de gewijzigde regeling die in oude spelling is geformuleerd, over te brengen naar de geldende spelling. In die gevallen wordt daartoe een bepaling opgenomen in de wijzigingsregeling, overeenkomstig het volgende model:
De tekst van [aanduiding van de betrokken regeling] wordt in [het Staatsblad / de Staatscourant] geplaatst.
3. In geval van vernummering wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:
Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] stelt [Onze Minister / de Minister (van/voor...)] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van [aanduiding van de betrokken regeling] opnieuw vast en brengt hij de in [die wet / dat besluit / die regeling] voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.
4. Ingeval van overbrenging in de geldende spelling wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:
Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] wordt de tekst door [Onze Minister /de Minister (van/voor...)] overgebracht in de geldende spelling.
§ 6.3
Intrekken en vervallen van regelingen
Artikel 6.23
De Vuurwapenwet 1919 wordt ingetrokken.
Artikel 6.24
2. De intrekking kan geschieden in de regeling die strekt tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de delegerende regeling.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het laten vervallen van bepalingen in een uitvoeringsregeling in verband met het vervallen van de grondslag daarvan.
Artikel 6.25
2. Evenmin wordt in een dergelijke regeling voorzien in het vervallen van de regeling.
Artikel 6.26
2. Een ingetrokken regeling of een vervallen bepaling herleeft niet door het laten vervallen van de bepaling, krachtens welke zij is ingetrokken of vervallen.
§ 6.4
Wijziging van wetsvoorstellen
Artikel 6.27
2. Het opstellen van een nota van wijziging geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen 6.9 tot en met 6.12en 6.16.
3. In het opschrift worden een tweede, derde en volgende nota van wijziging als zodanig aangeduid.
4. De aanhef van een nota van wijziging luidt: Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
5. Een nota van wijziging wordt niet ingedeeld in artikelen. De onderdelen worden met hoofdletters of Arabische cijfers aangeduid. Een eventuele verdere onderverdeling geschiedt met Arabische cijfers of kleine letters.
Artikel 6.28
2. Betreft het een nota van wijziging die tegelijk met een nota naar aanleiding van het verslag wordt ingediend, dan kan ter toelichting worden volstaan met een verwijzing naar een bepaald gedeelte van de nota naar aanleiding van het verslag.
Artikel 6.29
2. De toelichting op een nota van wijziging wordt bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.
Artikel 6.30
Artikel 6.31
Artikel 6.32
Artikel 6.33
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister [van/voor ...] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.
2. In dat geval geschiedt de vaststelling van de nieuwe nummering en het daarmee in overeenstemming brengen van de desbetreffende aanhalingen bij een door de betrokken bewindspersoon vastgesteld en ondertekend besluit overeenkomstig het volgende model:
De Minister van/voor ... / de Staatssecretaris van ...,
Gelet op artikel ... [bepaling overeenkomstig het in het eerste lid gegeven model];
Besluit:
Enig artikel
Overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage wordt de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van de ... [citeertitel van de wet] opnieuw vastgesteld en worden de in die wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.
Artikel 6.34
ARTIKEL I
Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: ...
Hoofdstuk 7
Procedures
§ 7.1
Interdepartementale voorbereiding
Artikel 7.1
Artikel 7.2
2. Indien de regeling wijziging brengt in de taken en bevoegdheden van decentrale overheden, vindt tijdig overleg plaats met de beheerders van het gemeentefonds, het provinciefonds of het BES-fonds over de financiële gevolgen daarvan.
Artikel 7.3
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing bij de voorbereiding van een regeling ten aanzien waarvan concordantie is voorgeschreven.
Artikel 7.4
a. voorstellen van wet;
b. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur;
c. ingrijpende nota’s van wijziging op een wetsvoorstel;
d. een voorstel van wet of ontwerp van een algemene maatregel van bestuur en het nader rapport daarbij, ingeval het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State daarop ingrijpende kritiek op inhoud of vormgeving bevat.
2. Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het beheer van de Grondwetwerkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de constitutionele toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
4. Het voorleggen geschiedt dusdanig tijdig, dat er voldoende ruimte is voor reëel overleg over alternatieve mogelijkheden, indien de Directie Wetgeving en Juridische Zaken dat noodzakelijk acht.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op stukken als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, waarover in overleg tussen het betrokken ministerie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid is bepaald dat deze niet ter toetsing voorgelegd hoeven worden.
Artikel 7.5
2. De wijze waarop de gevolgen voor bedrijven in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Artikel 7.5a
2. De wijze waarop de gevolgen voor de regeldruk in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk.
Toelichting
Eerste lid.Zie ook aanwijzing 4.45.
Tweede lid.Zie voor de wijze van toetsing het Instellingsbesluit Adviescollege toetsing regeldruk.
Artikel 7.5b
Toelichting
Ingevolge het Instellingsbesluit Adviescollege ICT-toetsing dienen ICT-projecten met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 van de ministeries, publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 4 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, de politie of de Raad voor de rechtspraak voorgelegd te worden aan het Adviescollege ICT-toetsing teneinde een advies te verkrijgen over de risico’s en slaagkans, alsmede een oordeel over de mate van beheersbaarheid daarvan. Het adviestraject leidt tot een openbaar advies.
Artikel 7.6
2. De wijze waarop dit aspect is verantwoord in de toelichting bij de regeling wordt getoetst door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
§ 7.2
Notificatie van ontwerpregelingen
Artikel 7.7
2. Bij de bepaling van het tijdstip van vaststelling van de regeling wordt in voorkomend geval de voorgeschreven standstillperiode in acht genomen dan wel stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van de desbetreffende instelling afgewacht.
Artikel 7.8
[Het voorstel van wet / Het ontwerpbesluit / De ontwerpregeling] is op [datum notificatie] ingevolge artikel ... van [aanduiding bindende EU-rechtshandeling of internationale verplichting] voorgelegd aan [aanduiding instelling]. Naar aanleiding van de reacties van [aanduiding instelling of andere betrokkenen] wordt het volgende opgemerkt. [reactie of doorgevoerde aanpassingen].
2. Indien het een notificatie in het kader van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) betreft, wordt daarvan tevens mededeling gedaan in de Staatscourant. Voor de mededeling wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:
Ter voldoening aan [artikel 2, negende lid, / artikel 5, zesde lid,] van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235), deelt de Minister [van / voor ...] mee dat een [voorstel van wet / ontwerpbesluit / ontwerpregeling tot / , houdende ...] waarin [technische voorschriften / voorschriften omtrent keuringen] worden gesteld aan [aanduiding soort goederen], is gemeld aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie. Informatie over deze technische voorschriften kan worden ingewonnen bij het Ministerie van [...].
§ 7.3
Advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State
Artikel 7.9
2. Een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur wordt in beginsel niet eerder aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd, dan nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt, door de Tweede Kamer is aanvaard.
Artikel 7.10
a. adviezen van de Europese Commissie;
b. adviezen van adviescolleges;
c. adviezen van belangrijke organisaties van belanghebbenden indien kennisneming ervan kan dienen tot een beter inzicht in de in het voorstel of het ontwerp en de toelichting vervatte beleidskeuzen;
d. overige adviezen waarnaar in de memorie of nota van toelichting wordt verwezen;
e. overige adviezen, waarvan de verantwoordelijke bewindspersoon toezending wenselijk acht.
Artikel 7.11
Artikel 7.11a
De Woovoorziet in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, in een uitzondering op de hoofdregel dat ontwerpregelingen waarover advies wordt gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen een termijn van twee weken actief openbaar worden gemaakt. Deze uitzondering geldt tevens voor de openbaarmaking van het uitgebrachte advies, waarvoor als hoofdregel eveneens een tweewekentermijn geldt (deze hoofdregel vloeit thans voort uit artikel 10.2b Woo, dat voorziet in overgangsrecht zolang artikel 3.3, tweede lid, Woo inzake actieve openbaarmaking nog niet in werking is getreden). De mogelijkheid om de openbaarmaking uit te stellen is uitsluitend bedoeld voor situaties waarin openbaarmaking conform de tweewekentermijn afbreuk zou doen aan een met de regeling beoogd doel. In de parlementaire geschiedenis van de Woo genoemde voorbeelden zijn de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatiusen fiscale wetten die anticiperend gedrag kunnen uitlokken. Een dergelijke situatie zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.
De beslissing om de openbaarmaking van de genoemde stukken uit te stellen behoort primair tot de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Van belang is dat aan deze beslissing een zorgvuldige afweging voorafgaat. Daarbij dient afstemming plaats te vinden met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Voor het voorstel aan de ministerraad om deze uitzondering uit de Wootoe te passen kan worden volstaan met het ontwerp van de brief van de verantwoordelijke minister aan de vice-president van de Raad van State waarin gemotiveerd kennis wordt gegeven van de uitgestelde openbaarmaking. Deze brief wordt in concept aan de ministerraad voorgelegd.
Artikel 3.3, vijfde lid, onder a, Woois eveneens van toepassing op eventuele adviesaanvragen voorafgaand aan adviesaanvragen aan de Afdeling advisering. In die fase is geen instemming van de ministerraad noodzakelijk. In dergelijke gevallen zal echter als genoemde bepaling aan de orde is, terughoudend worden omgegaan met andere formele adviesaanvragen dan het wettelijk verplichte advies van de Afdeling advisering.
Artikel 7.12
Artikel 7.13
Artikel 7.14
Artikel 7.15
2. Indien in een ingediend wetsvoorstel door de regering ingrijpende wijzigingen worden aangebracht, wordt de Afdeling advisering over deze wijzigingen gehoord, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.
3. De aanwijzingen 7.9, eerste lid, en 7.10 tot en met 7.14zijn van overeenkomstige toepassing op de advisering over een nota van wijziging.
Artikel 7.16
§ 7.4
Parlementaire behandeling van regeringsvoorstellen van wet
Artikel 7.17
Artikel 7.18
2. Indien dat wenselijk is met het oog op verwijzing worden in de nota naar aanleiding van het verslag de onderdelen of vragen van het verslag genummerd wanneer dat niet is gebeurd in het verslag zelf.
3. Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op andere stukken die het karakter hebben van een puntsgewijze reactie op voorgelegde vragen of opmerkingen.
Artikel 7.19
Artikel 7.20
Artikel 7.21
2. In spoedeisende gevallen kan van deze termijn in overleg met de griffie van de Eerste Kamer worden afgeweken.
Artikel 7.22
2. Is het wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer, dan wordt ook aan de voorzitter van de Tweede Kamer mededeling gedaan van de intrekking.
§ 7.5
Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet
Artikel 7.23
Artikel 7.24
2. Bewindspersonen maken ook eigener beweging, zowel in de schriftelijke als in de mondelinge fase, alle opmerkingen die zij dienstig achten om te komen tot een goed wetgevingsproduct.
3. Ook tijdens de parlementaire behandeling van een initiatiefvoorstel wordt desgewenst aan de initiatiefnemers zoveel mogelijk en zo snel mogelijk ambtelijke bijstand van juridische en wetgevingstechnische aard verleend.
Artikel 7.25
Artikel 7.26
Bij deze aanwijzing is ook van belang dat indien niet-bekrachtiging wordt overwogen, advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State dient te worden gevraagd, hetgeen consequenties heeft voor de procedure en de termijn daarvan.
Hoofdstuk 8
Voorbereiding, goedkeuring en implementatie van verdragen
§ 8.1
Verdragen
Artikel 8.1
2. In de Nederlandse titel van een verdrag wordt bij voorkeur de grondwettelijke term ‘verdrag’ gebruikt en niet de term ‘overeenkomst’.
3. In verdragen wordt het Koninkrijk der Nederlanden als zodanig aangeduid als partij bij het verdrag.
4. Bij de onderhandelingen over ontwerpverdragen wordt er naar gestreefd de staat – en derhalve niet de regering – als verdragspartij aan te duiden.
Artikel 8.2
2. De afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderhoudt de contacten hierover met de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Artikel 8.3
2. Over de goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt met het oog op de coördinatie ter verzekering van een consistent verdragsbeleid in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
3. In gevallen dat het initiatief met betrekking tot verdragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt, zoekt de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken op haar beurt in een zo vroeg mogelijk stadium daarover contact met eventuele andere betrokken ministeries.
4. Over de voorbereiding en goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt eveneens contact gezocht met de onderdelen van andere ministeries die bemoeienis hebben met het onderwerp waarop het verdrag of een onderdeel daarvan betrekking heeft of met onderwerpen die door het verdrag worden geraakt.
Artikel 8.4
2. Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over een verdrag dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij in een zo vroeg mogelijk stadium worden ingeschakeld.
3. De onderhandelingsdelegaties nemen in hun verslag datgene op wat van belang is voor de implementatie en voor de parlementaire goedkeuring.
Artikel 8.5
§ 8.2
Besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Artikel 8.6
2. Indien het om bindende besluiten gaat wordt ook de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het voorbereidende stadium betrokken.
Artikel 8.7
2. Wanneer een het Koninkrijk bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot stand is gekomen dat voor zijn uitvoering wettelijke voorschriften vereist, worden deze zo spoedig mogelijk en binnen de eventueel voorgeschreven termijn tot stand gebracht.
3. Indien het besluit bepalingen bevat die een ieder kunnen verbinden en niet verenigbaar zijn met geldende wettelijke voorschriften, worden onverwijld maatregelen getroffen tot aanpassing van de desbetreffende wettelijke voorschriften.
Artikel 8.8
2. In het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag wordt in dat geval een machtigingsbepaling opgenomen, inhoudende dat de besluiten die door deze instantie worden genomen, geen goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven.
§ 8.3
Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie
Artikel 8.9
2. Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt eveneens onderzocht of het verdrag mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat als bedoeld in artikel 93 Grondwet.
3. Indien tot stand te brengen voorschriften bij wet moeten worden vastgesteld, wordt het desbetreffende wetsvoorstel in beginsel gelijktijdig met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag bij de Tweede Kamer ingediend.
Artikel 8.10
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring van verdragen waarbij medegelding voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten weliswaar mogelijk is, maar waarbij reeds bij de indiening van het goedkeuringswetsvoorstel definitief is vastgesteld dat het verdrag niet mede voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten zal gaan gelden.
Artikel 8.11
[Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur / Bij ministeriële regeling] worden regels gesteld ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 8.12
Goedkeuring van het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... [zie aanwijzing 3.38]
Wij Willem-Alexander, [zie verder aanwijzing 4.5]
(...)
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State [van het Koninkrijk] gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, [de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde,] hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... , waarvan de ... tekst [en de vertaling in het Nederlands] [is/zijn] geplaatst in Tractatenblad [jaartal], nr. [ nummer] , wordt goedgekeurd voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk].
Artikel 2
Deze [rijks]wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen ... [zie verder aanwijzing 4.31, eerste lid].
2. Voor de goedkeuring van een voorbehoud bij een verdrag wordt het volgende model gebruikt:
Artikel (...)
Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in artikel 1 genoemde verdrag voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk] het volgende voorbehoud wordt gemaakt: [tekst voorbehoud].
3. Voor een machtigingsbepaling als bedoeld in aanwijzing 8.8, tweede lid, wordt het volgende model gebruikt:
Artikel (...)
De besluiten, bedoeld in [artikel / de artikelen ...] van het in artikel 1 genoemde verdrag, behoeven niet de goedkeuring van de Staten-Generaal.
Artikel 8.13
2. Een voorstel tot stilzwijgende goedkeuring van een verdrag gaat vergezeld van een toelichtende nota.
3. Toelichtingen op verdragen worden beperkt tot hetgeen voor een goed begrip nodig is. In voorkomend geval wordt daarin aangegeven dat wijziging van een bijlage die een integrerend onderdeel vormt van het verdrag en waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het verdrag zelf, geen parlementaire goedkeuring behoeft, tenzij de Staten-Generaal zich het recht daartoe voorbehouden.
4. Indien een verdrag gevolgen heeft voor de nationale wet- en regelgeving, wordt dit in de toelichting besproken. Bij de binding van het Koninkrijk te maken voorbehouden en af te leggen verklaringen die geen voorbehouden inhouden, worden eveneens in de toelichting besproken.
5. In de toelichting op een verdrag wordt besproken of een verdrag naar de mening van de regering mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat.
6. In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, worden de redenen beschreven om aan dat verdrag wel of geen gelding of medegelding voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verlenen.
7. In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, wordt aangegeven of het verdrag wel of geen gelding of medegelding heeft voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
§ 8.4
Behandeling in de (rijks)ministerraad
Artikel 8.14
2. Het eerste lid geldt niet indien het noodzakelijk wordt geacht dat eerst alleen de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag aan de orde worden gesteld.
3. Bij de beraadslaging over de sluiting van een verdrag of de goedkeuring ervan spreekt de (rijks)ministerraad zich erover uit of het verdrag Aruba, Curaçao en Sint Maarten al dan niet raakt in de zin van artikel 2, derde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
§ 8.5
Bewaring en bekendmaking
Artikel 8.15
Artikel 8.16
Artikel 8.17
§ 8.6
Stilzwijgende en uitdrukkelijke goedkeuring
Artikel 8.18
2. In spoedgevallen kan een voorstel tot goedkeuring van een verdrag bij de Afdeling advisering aanhangig worden gemaakt, voordat het verdrag is ondertekend of anderszins tot stand is gekomen, mits de besluitvorming in de (rijks)ministerraad over de tekst van het verdrag, de toelichting daarop en de overige voor de goedkeuring door de Staten-Generaal noodzakelijke stukken en het gebruik van de spoedprocedure is afgerond.
3. Na ontvangst van het advies wordt een nader rapport opgesteld, waarin op de eventuele opmerkingen van de Afdeling advisering wordt ingegaan.
Artikel 8.19
Artikel 8.20
2. Voor overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat uitsluitend de uitvoering betreft van een goedgekeurd verdrag, zoals bedoeld in artikel 7, onder b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragengenoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
3. Voor de overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat de verlenging van een aflopend verdrag betreft, zoals bedoeld in artikel 7, onder e, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 9, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragengenoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
4. Indien de voorgaande leden niet in acht genomen kunnen worden, wordt dit bij de overlegging dan wel de kennisgeving door de Minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
§ 8.7
Totstandbrenging van binding
Artikel 8.21
Hoofdstuk 9
Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen
§ 9.1
Begripsbepaling en toepassingsbereik
Artikel 9.1
Artikel 9.2
§ 9.2
Algemene uitgangspunten bij implementatie
Artikel 9.3
Artikel 9.4
Artikel 9.5
2. Bij afwijking van het eerste lid wordt dit expliciet vermeld in de toelichting en worden de overwegingen geschetst die tot deze keuze hebben geleid.
Artikel 9.6
Artikel 9.7
Artikel 9.8
a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de Nederlandse wetgever bij de uitvoering minder ruimte laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard;
b. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling gedetailleerder van aard is;
c. de termijn waarbinnen volgens de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de implementatie moet geschieden korter is;
d. verwacht mag worden dat in de toekomst de te implementeren bindende EU-rechtshandelingen vaker wijzigingen zal ondergaan;
e. in het bestaande systeem van regelgeving waarin de implementatieregeling een plaats zal krijgen, vaker is gekozen voor delegatie van regelgevende bevoegdheid.
Artikel 9.9
Artikel 9.10
2. Bij een dynamische verwijzing naar bepalingen van een EU-richtlijn wordt afzonderlijk aangegeven vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen doorwerken in het Nederlandse recht. Hiervoor wordt in de implementatieregeling het volgende model gebruikt:
Een wijziging van [aanduiding van (bepaling uit) de EU-richtlijn waarnaar is verwezen] gaat voor de toepassing van [aanduiding van de nationale regeling of de nationale bepaling waarin de verwijzing is opgenomen] gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
3. Indien het gewenst is dat een ander tijdstip kan worden gekozen, wordt aan het model, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
4. Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals die op een bepaald moment luidt (statische verwijzing), geschiedt door verwijzing naar de tekst van die bepaling volgens de volgende voorbeelden:
A. Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.
B. Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016.
Artikel 9.11
a. dat de regeling strekt tot implementatie, met een verwijzing naar de bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42;
b. de uiterste datum waarop de implementatie moet zijn gerealiseerd;
c. een verwijzing naar het onderdeel van de toelichting waarin de transponeringstabel is opgenomen.
Artikel 9.12
2. Indien een bepaling uit de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling ruimte laat voor, dan wel verplicht tot het maken van beleidskeuzes, wordt dit in de transponeringstabel aangegeven en wordt verwezen naar de passages in de toelichting waarin de door de regering gemaakte keuzes worden toegelicht.
3. Indien een bepaling uit een bindende EU-rechtshandeling geen implementatie behoeft, wordt dit vermeld in de transponeringstabel. Hierbij wordt aangegeven wat de reden daarvan is, en wordt indien noodzakelijk verwezen naar de passages in de toelichting waar daar nader op wordt ingegaan.
4. De transponeringstabel maakt onderdeel uit van de toelichting bij de implementatieregeling.
Artikel 9.13
a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling;
b. de bestaande nationale regelingen door middel waarvan reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling wordt voldaan;
c. de datum met ingang waarvan de te implementeren regeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing is dan wel vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van de bindende EU-rechtshandeling doorwerken in het Nederlandse recht;
d. de in aanwijzing 9.12 bedoelde transponeringstabel.
§ 9.3
Voorbereiding van procedures bij implementatie
Artikel 9.14
2. De inschakeling vindt plaats in een zo vroeg mogelijk stadium, doch uiterlijk bij de invulling van het in aanwijzing 9.15bedoelde formulier.
Artikel 9.15
2. Indien meer ministeries bij de uitvoering van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn betrokken, geschiedt de invulling in overeenstemming met die ministeries.
3. De invulling geschiedt door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het voor de implementatie eerstverantwoordelijke ministerie.
4. De ingevulde formulieren berusten bij het secretariaat van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen.
Artikel 9.16
2. In beginsel wordt over het ontwerp van een implementatieregeling geen advies gevraagd of extern overleg gevoerd en wordt een zodanig ontwerp niet voorgepubliceerd, ter inzage gelegd of anderszins extern bekendgemaakt.
Artikel 9.17
2. Het implementatieplan wordt uiterlijk binnen twee maanden na vaststelling van de desbetreffende EU-richtlijn bij de ICER-I ingediend.
3. Het implementatieplan geeft zo gedetailleerd mogelijk weer op welke wijze de betrokken EU-richtlijn zal worden geïmplementeerd.
4. Het eerstverantwoordelijke ministerie verwerkt de gegevens van het implementatieplan in de interdepartementale implementatiedatabase.
Artikel 9.18
2. Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een wet nodig is, wordt een voorstel daarvoor ten minste 18 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.
3. In afwijking van het eerste of het tweede lid wordt het ontwerp respectievelijk het voorstel zo snel mogelijk doch uiterlijk 2 maanden na vaststelling van de bindende EU-rechtshandeling aan de ministerraad voorgelegd, indien de implementatietermijn bij vaststelling korter is dan 9 respectievelijk 18 maanden.
Artikel 9.19
2. De notificatie van regelingen ter implementatie van EU-richtlijnen geschiedt elektronisch via het daartoe bestemde notificatiesysteem van de Europese Commissie.
3. De notificatie van regelingen ter implementatie van andere soorten bindende EU-rechtshandelingen geschiedt schriftelijk aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de gegevens doorzendt aan de Europese Commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de Raad van de Europese Unie.
4. Door middel van de notificatie wordt de Europese Commissie in kennis gesteld van:
a. de daartoe voorgenomen of vastgestelde implementatieregelingen en de bijbehorende transponeringstabel(len);
b. de bestaande nationale regelingen die reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling voldoen;
c. de datum met ingang waarvan de regelingen ter omzetting van de te implementeren bindende EU-rechtshandeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing zijn, of met ingang waarvan de effectieve werking ervan verzekerd is.