BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 112a
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Een onderneming of instelling die op het tijdstip dat dit artikel in werking treedt, in Nederland het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, wordt geacht over een vergunning als bedoeld in artikel 6 te beschikken.
2. Een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 32a.
3. Een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste of tweede lid, meldt zich binnen één maand na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt bij de Bank en verstrekt binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt aan de Bank alle gegevens die de Bank nodig heeft om te beoordelen of de onderneming of instelling voldoet aan deze wet.
4. Indien de Bank op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het derde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.
5. Indien een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste en het tweede lid, niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, heeft voldaan aan het bepaalde in het derde lid zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.
2. Een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 32a.
3. Een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste of tweede lid, meldt zich binnen één maand na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt bij de Bank en verstrekt binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt aan de Bank alle gegevens die de Bank nodig heeft om te beoordelen of de onderneming of instelling voldoet aan deze wet.
4. Indien de Bank op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het derde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.
5. Indien een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste en het tweede lid, niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, heeft voldaan aan het bepaalde in het derde lid zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.