BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 15
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank kan een vergunning intrekken, indien:
a. de kredietinstelling daarom verzoekt;
b. de onderneming of instelling, aan welke de vergunning is verleend, opgehouden heeft kredietinstelling te zijn;
c. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;
d. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d, e of f, derde, vierde of vijfde lid, voordoet;
e. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
f. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 20, 21, 22 of 22a dan wel de artikelen 30b, 30c of 30ca bepaalde;
g. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2, tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
h. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, niet voldoet aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid, of aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 28a, tweede tot en met vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
i. indien de kredietinstelling dan wel het orgaan, aan wie de aanwijzing is gegeven of de aanzegging is gedaan, niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging op grond van deze wet gegeven onderscheidenlijk gedaan.
2. De Bank beslist binnen dertien weken na de ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a.
3. Een beschikking tot intrekking van de vergunning op de gronden bedoeld in het eerste lid treedt eerst in werking wanneer zij onherroepelijk is geworden. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, zodra zij onherroepelijk is geworden.
4. Met ingang van de datum waarop een beschikking als bedoeld in het eerste lid onherroepelijk is geworden, is het verbod als bedoeld in artikel 82, eerste lid, op de onderneming of instelling van toepassing.
5. De onderneming of instelling is vanaf de datum als bedoeld in het vierde lid gehouden alle lopende overeenkomsten betreffende bedrijfsmatig van het publiek verkregen gelden, die al dan niet op termijn opvorderbaar zijn, zo spoedig mogelijk op te zeggen en binnen een door de Bank te bepalen termijn af te wikkelen. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen.
6. Onverminderd het bepaalde in het vierde en vijfde lid wordt de onderneming of instelling gedurende de afwikkelingstermijn voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.
a. de kredietinstelling daarom verzoekt;
b. de onderneming of instelling, aan welke de vergunning is verleend, opgehouden heeft kredietinstelling te zijn;
c. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;
d. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d, e of f, derde, vierde of vijfde lid, voordoet;
e. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
f. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 20, 21, 22 of 22a dan wel de artikelen 30b, 30c of 30ca bepaalde;
g. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2, tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
h. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, niet voldoet aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid, of aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 28a, tweede tot en met vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
i. indien de kredietinstelling dan wel het orgaan, aan wie de aanwijzing is gegeven of de aanzegging is gedaan, niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging op grond van deze wet gegeven onderscheidenlijk gedaan.
2. De Bank beslist binnen dertien weken na de ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a.
3. Een beschikking tot intrekking van de vergunning op de gronden bedoeld in het eerste lid treedt eerst in werking wanneer zij onherroepelijk is geworden. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, zodra zij onherroepelijk is geworden.
4. Met ingang van de datum waarop een beschikking als bedoeld in het eerste lid onherroepelijk is geworden, is het verbod als bedoeld in artikel 82, eerste lid, op de onderneming of instelling van toepassing.
5. De onderneming of instelling is vanaf de datum als bedoeld in het vierde lid gehouden alle lopende overeenkomsten betreffende bedrijfsmatig van het publiek verkregen gelden, die al dan niet op termijn opvorderbaar zijn, zo spoedig mogelijk op te zeggen en binnen een door de Bank te bepalen termijn af te wikkelen. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen.
6. Onverminderd het bepaalde in het vierde en vijfde lid wordt de onderneming of instelling gedurende de afwikkelingstermijn voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.