BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 30
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Iedere kredietinstelling is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ten minste haar jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Bank in te dienen. De jaarrekening moet worden ingediend in de vorm waarin zij overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte is goedgekeurd of bij gebreke van goedkeuring is vastgesteld, dan wel, bij gebreke van vaststelling, in de vorm waarin zij is opgemaakt. Daarop wordt vermeld of zij al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd.
2. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.
3. De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van het in het eerste of tweede lid bepaalde verlenen en aan deze ontheffing voorschriften verbinden, onverminderd het bepaalde in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;
c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
5. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het vierde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24 avan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
6. De accountant die op grond van het vierde of vijfde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
2. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.
3. De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van het in het eerste of tweede lid bepaalde verlenen en aan deze ontheffing voorschriften verbinden, onverminderd het bepaalde in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;
c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
5. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het vierde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24 avan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
6. De accountant die op grond van het vierde of vijfde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.