BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 21
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen in het belang van hun liquiditeit.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot
(1). de ter beschikking verkregen gelden of bepaalde onderdelen van die gelden;
(2). de van elke crediteur afzonderlijk ter beschikking verkregen gelden, voor zover deze een bepaald percentage van het totaal der ter beschikking verkregen gelden te boven gaan.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, mits de liquiditeit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot
(1). de ter beschikking verkregen gelden of bepaalde onderdelen van die gelden;
(2). de van elke crediteur afzonderlijk ter beschikking verkregen gelden, voor zover deze een bepaald percentage van het totaal der ter beschikking verkregen gelden te boven gaan.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, mits de liquiditeit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.