BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 114
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen en die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet is vervallen of ingetrokken, wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 26 voor de in de artikelen 23 en 24 genoemde handelingen die overeenkomen met de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar was verleend, met dien verstande dat voor zover die verklaring van geen bezwaar betrekking heeft op het verwerven of vergroten van een deelneming of het uitoefenen van zeggenschap die tevens wordt geacht te zijn verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming.
2. Ten aanzien van handelingen waarop het eerste lid niet van toepassing is en waarvoor ingevolge de artikelen 23 of 24 een verklaring van geen bezwaar is vereist en waarop artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen niet van toepassing was, blijven de verboden als bedoeld in de artikelen 23 en 24 buiten toepassing tot de eerste dag van de negende kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 23 en 24.
3. Ten aanzien van een gekwalificeerde deelneming die reeds werd gehouden op 1 januari 1979 en waarvoor ingevolge de artikelen 23 onderscheidenlijk 24 een verklaring van geen bezwaar vereist is, wordt de kredietinstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 24, eerste lid, geacht te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 24, eerste lid.
2. Ten aanzien van handelingen waarop het eerste lid niet van toepassing is en waarvoor ingevolge de artikelen 23 of 24 een verklaring van geen bezwaar is vereist en waarop artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen niet van toepassing was, blijven de verboden als bedoeld in de artikelen 23 en 24 buiten toepassing tot de eerste dag van de negende kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 23 en 24.
3. Ten aanzien van een gekwalificeerde deelneming die reeds werd gehouden op 1 januari 1979 en waarvoor ingevolge de artikelen 23 onderscheidenlijk 24 een verklaring van geen bezwaar vereist is, wordt de kredietinstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 24, eerste lid, geacht te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 24, eerste lid.