BWBR0005858
Geldig vanaf 2012-07-12
Artikel 17c
Stortbesluit bodembescherming
1. Op stortplaatsen of gedeelten daarvan die bij ministeriële regeling afzonderlijk of per categorie zijn aangewezen, hoeft aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen geen bovenafdichting te worden aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.
2. Op stortplaatsen of gedeelten daarvan die bij ministeriële regeling afzonderlijk of per categorie zijn aangewezen, worden zo spoedig als technisch mogelijk, maar uiterlijk binnen een bij die regeling voor de betrokken stortplaats of het betrokken gedeelte van de stortplaats aangegeven termijn die niet later eindigt dan 50 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting of het treffen van de in het tweede of derde lid bedoelde maatregelen, aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.
3. In gevallen als bedoeld in het eerste of tweede lid blijven gedurende de werkingsduur van hoofdstuk IIIa de voorschriften in de vergunning, gesteld ter uitvoering van artikel 4, vierde lid, buiten toepassing.
4. Bij ministeriële regeling op grond van het eerste of tweede lid kunnen uitsluitend categorieën van stortplaatsen, stortplaatsen of gedeelten van stortplaatsen worden aangewezen, die na een succesvol verloop van het experiment in aanmerking komen voor toepassing van duurzaam stortbeheer.
2. Op stortplaatsen of gedeelten daarvan die bij ministeriële regeling afzonderlijk of per categorie zijn aangewezen, worden zo spoedig als technisch mogelijk, maar uiterlijk binnen een bij die regeling voor de betrokken stortplaats of het betrokken gedeelte van de stortplaats aangegeven termijn die niet later eindigt dan 50 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting of het treffen van de in het tweede of derde lid bedoelde maatregelen, aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting aangebracht die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.
3. In gevallen als bedoeld in het eerste of tweede lid blijven gedurende de werkingsduur van hoofdstuk IIIa de voorschriften in de vergunning, gesteld ter uitvoering van artikel 4, vierde lid, buiten toepassing.
4. Bij ministeriële regeling op grond van het eerste of tweede lid kunnen uitsluitend categorieën van stortplaatsen, stortplaatsen of gedeelten van stortplaatsen worden aangewezen, die na een succesvol verloop van het experiment in aanmerking komen voor toepassing van duurzaam stortbeheer.