BWBR0005858
Geldig vanaf 2012-07-12
Artikel 9
Stortbesluit bodembescherming
1. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat:
a. een daarin aangegeven aantal malen per jaar wordt nagegaan of wordt voldaan aan de voorschriften die ingevolge artikel 3 aan de vergunning zijn verbonden;
b. de voorzieningen die ingevolge de in het belang van de bescherming van de bodem aan de vergunning verbonden voorschriften op de stortplaats zijn getroffen, worden geïnspecteerd;
c. onderzoek wordt gedaan met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats;
d. een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld, zijnde het plan waarin wordt aangegeven welke maatregelen dienen te worden getroffen als het interventiepunt, bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt bereikt.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag aan de vergunning voorschriften te verbinden, waarvan de inhoud in die regels is aangegeven, met betrekking tot:
a. de bemonstering en vaststelling van de hoedanigheden van de bodem;
b. het vaststellen van een interventiepunt, zijnde het punt waarbij een significante verslechtering van de grondwaterkwaliteit optreedt;
c. de inhoud van een urgentieplan op hoofdlijnen;
d. de bemonstering van het oppervlaktewater.
3. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat de volgende resultaten in afschrift aan het bevoegd gezag worden gezonden, waarbij de frequentie door het bevoegd gezag wordt bepaald doch ten minste eenmaal per jaar bedraagt:
a. de resultaten van de inspectie en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid;
b. de resultaten van de metingen van de hoeveelheid en samenstelling van de in de omgeving van de stortplaats aanwezige wateren, bedoeld in artikel 8a;
c. de resultaten van de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 6a;
d. de resultaten van de metingen van het niveau en de samenstelling van het grondwater, bedoeld in de artikelen 3 en 8.
a. een daarin aangegeven aantal malen per jaar wordt nagegaan of wordt voldaan aan de voorschriften die ingevolge artikel 3 aan de vergunning zijn verbonden;
b. de voorzieningen die ingevolge de in het belang van de bescherming van de bodem aan de vergunning verbonden voorschriften op de stortplaats zijn getroffen, worden geïnspecteerd;
c. onderzoek wordt gedaan met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats;
d. een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld, zijnde het plan waarin wordt aangegeven welke maatregelen dienen te worden getroffen als het interventiepunt, bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt bereikt.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag aan de vergunning voorschriften te verbinden, waarvan de inhoud in die regels is aangegeven, met betrekking tot:
a. de bemonstering en vaststelling van de hoedanigheden van de bodem;
b. het vaststellen van een interventiepunt, zijnde het punt waarbij een significante verslechtering van de grondwaterkwaliteit optreedt;
c. de inhoud van een urgentieplan op hoofdlijnen;
d. de bemonstering van het oppervlaktewater.
3. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat de volgende resultaten in afschrift aan het bevoegd gezag worden gezonden, waarbij de frequentie door het bevoegd gezag wordt bepaald doch ten minste eenmaal per jaar bedraagt:
a. de resultaten van de inspectie en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid;
b. de resultaten van de metingen van de hoeveelheid en samenstelling van de in de omgeving van de stortplaats aanwezige wateren, bedoeld in artikel 8a;
c. de resultaten van de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 6a;
d. de resultaten van de metingen van het niveau en de samenstelling van het grondwater, bedoeld in de artikelen 3 en 8.